Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
275
Vermeld beginsel zegt, ten l^te: Niets, hoe weinig ook.'* Dus
kleinheid van stof komt hier niet in aanmerking, niet te pas.
Één kruimel brood, één druppel water of medicijn, bij
wijze van spijs of drank genuttigd, ontnuchteren. Men moet
dus het natuurlijk nuchteren zijn, dat, in den gewonen
regel, door de H. Kerk vereischt wordt om waardig te com-
municeeren , goed onderscheiden van het nog nuchteren zijn
op eigenlijke of heele vastendagen. Op die dagen mogen zij,
die er toe gehouden zijn, 's morgens of door den dag, buiten
het middagmaal en de collatie, geene boterham eten (29«*^ Les,
6''e en S^te V. bl. 213 en 215); maar wel een kopje koffie of
thee drinken (want drank breekt de kerkelijke vasten niet).
Als men dat zou gedaan hebben, zou men, zonder twijfel,
natuurlijk ontnuchterd zijn en dien dag niet te communie mogen
gaan. Nochtans treft men wel eens zulke eenvoudige of weinig
onderwezene christen menschen aan, die, als de Priester hun
„Ons Heer" thuis brengt, omdat ze, alhoewel niet in gevaar
van sterven, niet in de kerk kunnen komen, en hun vraagt:
„Ge zijt immers nog nuchteren K' antwoorden : ja , mijnheer,
want ik heb nog niets gegeten, maar slechts een slokje water,
een kopje koffie gedronken, omdat ik zoo hoesten moest!. ..
In voornoemd beginsel werd ten gezegd : dat men ....
Apropos: Boe luidt dat beginsel ook? Juist geantwoord. Dat
men van des nachts 12 uren, ten l'te, niets, hoe weinig ook,
ten mn buiten den mond.... doorhale. Dus als iemand
speeksel of eenig overblijfsel van 't geen hij 's avonds gegeten
heeft, dat hem tusschen de tanden is blijven zitten, of eenig
bloed of ander vocht, dat uit tandvleesch, tong, wang, hoofd,
maag of long, van binnen in den mond komt, zou doorhalen,
is hij daarom niet ontnuchterd. Maar iemand, dieeenig
vocht van buiten, b. v. , uit oog of neus in den mond zou
krijgen en doorhalen, zou niet meer natuurlijk nuchter zijn,
en daarom dien dag niet te communie mogen gaan. Insgelijks
zou hij niet meer nuchter zijn , die 's avonds bij het slapen
gaan , b. v. een stuk drop in den mond nam, en dit zawhtjes