Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
245
Door het Doopael verkrijgt men ten , tergifenis der
erfzonde, en
Ten , vergiffenis van alle voorgaande zonden, d. w. z., van
alle dadelijke zonden, 't zij doodzonden of dagelijksche zonden,
welke iemand, reeds tot de jaren van verstand gekomen,
zou bedreven hebben, voordat hij het Doopsel ontving, mits
hij bij den H. Doop een onvolmaakt berouw heeft over zijne
zonden ; want zonder berouw kunnen dadelijke zonden nooit
vergeven worden.
En ten ook vergifienis van de straffen, die men door de
zonden verdiend heeft, d. w.z., kwijtschelding van al de straffen,
die men verdiend heeft door de zonden, welke door het Doop-
sel vergeven zijn.
Voor zoover er sprake was van dadelijke zonden en straffen
daardoor verdiend, is dit natuurlijk alleen te verstaan van
degenen , die het Doopsel eerst ontvangen na tot de jaren
van verstand gekomen te zijn. Immers, kinderen , die nog
niet tot de jaren van verstand, tot het gebruik hunner rede
gekomen zijn , kunnen geen onderscheid noch keus maken
tusschen zedelijk goed of kwaad , tusschen deugd en zonde.
(Vgl. Iste Les, V. bl. 9.) Zulke kinderen kunnen zich
dus aan geene dadelijke zonden plichtig gemaakt, noch daar-
voor strafien verdiend hebben. Daarom weten wij ook zeker,
dat zulke kinderen regelrecht naar den Hemel gaan , als ze
zoo komen te sterven, mits ze zeker geldig gedoopt zijn.
Doch van degenen , die tot de jaren van verstand gekomen
waren, toen zij gedoopt werden, en daarop onmiddellijk stier-
ven, weten wij dat niet zóó zeker; 't hangt er van af, of ze
ook waarlijk een onvolmaakt berouw hebben gehad niet alleen
over alle doodzonden, maar ook over elke, zelfs de kleinste
dagelijksche zonde, waaraan zij zich vóór het Doopsel hadden
schuldig gemaakt. Want waren ze zonder waar berouw ook
over maar ééne dagelijksche zonde, die ze vóór het Doopsel
bedreven hadden, gestorven, dan moeten ze de tijdelijke straf,
daarvoor verschuldigd, eerst nog in 't vagevuur af boeten.