Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
242
I. Wanneer is het Doopsel zekek ongeldig ?
Ten l'te, ala men niet doopt met waarachtig en natuurlijk
water.
Ten als het water niet vloeit over den doopeling.
Ten 3'ie, als men niet voluit zegt: Ik doop u in den naam
des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes,
Ten 4<'e, als de afwassching niet geschiedt door denzelfden
persoon, die de woorden spreekt.
Ten S«!«, als men vóór of na het uitspreken der woorden
zoolang met de afwassching wacht, dat men tusschenbeide
één Onze Vader kan bidden.
II. Wanneer is het Doopsel wel niet zeker ongeldig, maar toch
twijfelachtig f
Ten als het water niet zeker waarachtig en natuurlijk
water is; b. v. om de vermenging met bloed, enz.
Ten 2'ie, als het water niet onmiddellijk over de huid vloeit,
maar b. v. alleen de haren des hoofds geraakt zou hebben.
Ten 3''®, als het Doopsel niet wordt toegediend op het hoofd;
immers, al is het niet zeker, dat een Doopsel, op een ander
deel des lichaams toegediend, ongeldig is, — het is en blijft
toch twijfelachtig, als het hoofd zelf niet gedoopt is.
Ten 4'ie, als hij of zij, die in tijd van nood een kind ge-
doopt heeft, zelf twijfelt of niet zeker weet, dat hij alles wat
tot een geldig Doopsel zeker of misschien vereischt wordt,
goed onderhouden, gedaan heeft; b. v. omdat ze in de ge-
gevene omstandigheden niet goed bij hun stukken waren,
dus bij gebrek aan tegenwoordigheid van geest.
III. Wat wordt tot een geldig Doopsel niet vereischt ?
Daartoe is niet noodig: Ten 1«% dat het water gewijd zij.
Ten 2'!'', dat men driemaal wassche ; eens is genoeg.
Ten , dat men het water toepasse bij wijze van kruisteeken.
Ten 4<i'', dat men het met de hand doe; men kan zich van