Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
212
intentie behoeft men zich dus niet ongerust te maken , en
nog minder over de intentie om door 't bijwonen van de H.
Mis aan 't gebod der H. Kerk te voldoen ; want deze inten-
tie wordt niet eens vereischt.
b.) Be eigenlijk gezegde aandacht of oplettendheid. Deze
vordert, dat men gedurende de H. Mis zijne aandacht vestige
*tzij op de H. Mis zelve, op hetgeen aan het altaar plaats
heeft, *tzij op hetgeen men bidt; in een woord: dat men
zich onder de Mis althans met eenige godsdienstige gedach-
ten bezig houde. Dus de aandacht, welke men bij het Mis
hooren hebben moet, vordert, dat men niet vrijwillig, ook
slechts inwendig, aan verstrooidheid toegeve door willens en
wetens zich met andere, wereldsche zaken bezig te houden,
en zeker op zijn allerminst, dat men zich aan geene uitwen-
dige verstrooiing plichtig make , door iets te doen wat met
de inwendige aandachtigheid onbestaanbaar is, als: praten,
lachen , slapen , enz.
Als men iets van dien aard zou doen gedurende een mer-
kelijk deel der H. Mis, of onder de voornaamste deelen der
H. Mis, onder de Consecratie en de Nutting, zou men door
de Mis, die men zoo uitwendig onaandachtig, en oneerbiedig
tevens heeft bijgewoond, niet voldaan hebben aan 't gebod
der H. Kerk. (Vergel. 25 Les, S^t- V.)
Om enkel inwendige verstrooidheden , die men onder de
H. Mis zou gehad hebben, denke men niet lichtelijk geen
Mis te hebben gehoord, aan 't gebod der H. Kerk in hoofd-
zaak niet te hebben voldaan.
Dit wordt hier opgemerkt ter geruststelling van angstval-
lige zielen, en om te voorkomen, dat Eeligieuzen soms licht-
vaardig, b. v. tot een kind, dat onder de Mis van verplich-
ting minder goed zou gebeden hebben, zeggen: „Ondeugend
kind, ge hebt geen Mis gehoord." Doch niemand besluite
uit de voorgaande opmerking, dat men zoo nauw niet behoeft
te zien om Mis te hooren met goede manieren. Want,