Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
206
spreekt, spreekt uit hetgeen hem eigendommelijk toekomt;
want hij — de duivel — is van aard en inderdaad een leuge-
naar en de vader, de uitvinder der leugen. (Zie *tBoang.
van Joannes VIIT. 44.)
Ten en 4<ie verbiedt het S^te gebod kwaadspreken, lasteren.
Welk verschil is er tusschen kwaadspreken en lasteren ?
Kwaadspreken is iets kwaads van iemand vertellen, dat wel
waar, maar nog niet bekend, publiek is.
Lasteren is kwaad van iemand vertellen , dat niet waar is.
Ten en , van iemand lichtvaardig, d. i., zonder dat
men er goede, voldoende of genoegzame reden toe heeft,
kwaad vermoeden, d. i., wel niet voor zeker houden, maar
toch vrijwillig veronderstellen; dus iemands deugd of goede
hoedanigheid betwijfelen, bij zich zei ven in twijfel trekken; —
of oordeelen, d. i., het in zijn hart voor waar en zeker houden.
Met goede reden kwaad van iemand vermoeden of oordeelen
is geene zonde. B. v. Als er in een winkel telkens iets weg
zou zijn van datgene, waar niemand mee omgaat dan de
bedienden , dan mag de winkelier gerust vermoeden , ja oor-
deelen , dat een zijner bedienden hem besteelt. Nog dient
opgemerkt, dat invallende vermoedens of oordeelen geene
zonde zijn, als men er niet vrijwillig in toestemt, als de wil
er geen deel aan neemt, ze afkeurt, zoodra men bemerkt,
dat ze lichtvaardig zijn.
8 V. Wat moet hij doen , die zijnen naaste on-
rechtvaardig in zijne eer of tijdelijke goederen heeft
beschadigd ?
A. Hij is verplicht die schade, zoodra en zoo
goed hij kan , te herstellen.
Hij, die zijnen naaste onrechtvaardig in zijne eer en faam,
of in zijne tijdelijke, of in zijne lichamelijke goederen bescha-
digd heeft, is verplicht restitutie te doen, d. w. z., het gesto-