Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
205
A. Valsche getuigenis, leugentaal, kwaadspreken,
lasteren , van iemand lichtvaardig kwaad vermoeden
of oordeelen.
Ten valsche getuigenis, vooral die, welke men voor het
gerecht tegen den naaste aüegt, door iets dat men weet of
meent valsch , niet waar te zijn, toch als waar, of waaraan
men twijfelt, toch als zeker waar te getuigen.
Ten leugentaal. Liegen is tegen zijn gemoed spreken.
Men kan dus liegen, ofschoon men iets zegt dat waar is;
als men namelijk zelf denkt, dat het niet waar is; en ook
omgekeerd: men kan iets vertellen , wat men denkt waar te
zijn , ofschoon het niet zoo is; men liegt dan echter niet,
want men spreekt dan niet tegen zijn gemoed, wijl men denkt,
dat de zaak is gelijk men ze vertelt.
Onderwijzers behooren hunne leerlingen ter dege te verma-
nen nooit vrijwillig te jokken, te liegen, en kinderen, die
het als uit gewoonte doen , eene geduchte straf te geven.
Om hun een rechtmatigen afschrik van elke vrijwillige leu-
gen in te prenten, kan dienen: a) dat elke vrijwillige leugen,
zelfs om beterswil, d. w. z., om zich zeiven of anderen te
redden, eene verdiende straf te doen ontgaan, of uit scherts,
{tenzij de toehoorders genoegzaam kunnen verstaan, dat het-
geen men vertelt zoo niet gemeend is, maar alleen verzonnen
en gezegd is om ze eens te laten lachen), altijd uit haar aard
eene dagelijksche zonde is.
b.) Dat men door eene op zich zelve kleine leugen soms
groote zonde kan bedrijven, nl., indien we kunnen en moeteu
voorzien , dat ze eene groote verergernis ten gevolge zal
hebben, wat soms gebeurt, als men uit scherts wereldlijke,
maar vooral geestelijke overheden door leugentaal bespottelijk
maakt.
c») Dat leugentaal spreken den mensch onteert, en eenigs*
zins gelijk maakt aan den duivel, die, wanneer hij de leugen