Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
199
personen schuwen ; ten Gods tegenwoordigheid ge-
denken ; ten de godsvrucht tot Onze Lieve Vrouw ;
ten het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten.
Het en gebod zijn ontkennend nitgedrnkt; het 6'^®
gebod verbiedt alle uitwendige, het alle inwendige zonden
van onkuischheid.
Men behoeft hiervan alleen dit aan de kinderen te zeggen:
als gij ooit iets vrijwillig gedacht, gedaan, gesproken of
gezongen hebt, waarover gij u voor anderen zoudt schamen,
dan is het goed, dat gij er uwen biechtvader over spreekt;
want, ofschoon het daarom altijd nog geen zonde is, is het
toch goed, dat gij het hem zegt.
Niet zelden zien kinderen iets, wat louter onfatsoenlijk of
minder zedig is, als wezenlijke onkuischheid aan. Al degenen,
die met de opvoeding van kinderen belast zijn, moeten dus
zorgen ze niet in eene valsche conscientie te brengen. Wat
wezeülijk onkuisch , en door het 6«!« of gebod op dood-
zonde verboden is, geeft het antwoord van den Catechismus
duidelijk genoeg te verstaan. Men wachte zich dus zorgvuldig
desbetreffende tot bijzonderheden af te dalen, waardoor men
kinderen kwaad zou kunnen leeren, dat zij niet kenden,
waardoor men hun dus werkelijk ergernis zou kunnen geven 1
De zuiverheid is de schoonste van alle deugden , wijl zij
den mensch in zeker opzicht boven de Engelen verheft; want
deze zijn zonder inspanning, van hunne natuur zuiver, ter-
wijl de mensch het slechts door strijd en met moeite is.
Men heet ze dan ook de heilige, de engelachtige deugd.
Daarom dan ook zijn wij , zoo lang wij leven , in gevaar die
deugd te verliezen ; wij dragen dien schat in een broos vat,
dat licht breekt, en op een glibberig pad, waarop men
lichtelijk uitschuift. Hierdoor wordt ons aangeduid, dat wij
voorzichtig moeten zijn, vooral in onze oogen, om naar niets
te zien, in onze ooren , om naar niets te hooren wat niet
goed is, en trouw de middelen moeten gebruiken, in het