Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
A. Dat hij God kenne, God beminne, en Gods
geboden tot het einde zijns levens getrouwelijk onder-
houde.
Eerst staat er, dat hij God kenne, en dan , God beminne ,
omdat men niet kan beminnen wat men niet kent. Ongekend
is onbemind.
Maar als wij nu uit den Catechismus God goed hebben
leeren kennen als een ongeschapen geest, den Schepper, Heer
en Bestierder van hemel en aarde, de fontein onzer zaligheid
en ons opperste goed, les), dan zullen we, lettende op
Zijne oneindige volmaaktheid in zich zelve, als zijnde een
ongeschapen geest, en op Zijne grenzenlooze goedheid jegens
ons als Schepper.... ook gemakkelijk inzien, dat we God
bovenal moeten beminnen, en die liefde toonen door Gods
geboden tot het einde van ons leven getrouwelijk te onderhouden.
Immers, „ wie volhard zal hebben ten einde toe, die zal zalig
wordend (Matth. X. 22.) „En hieraan weten wij t dat wij Hem
(God) kennen , indien wij zijne geboden onderhouden, JFie zegt,
dat hij Hem kent en Zijne geboden niet onderhoudt^ die is een
leugenaar^ en in dezen is de waarheid niet; maar die Zijn woord,
Zijne geboden onderhoudt, in dezen is naar waarheid de liefde
Gods volkomen gewordend (I Joannes II. 3—6.) D. w. z. deze
bemint God niet enkel met den mond, maar ook met het
hart, met de daad, — dezes liefde tot God is volkomen,
echte, ware, oprechte liefde, noodig om ons einde te bereiken.
De mensch is dan voor God geschapen, voor God — een?
oneindig goed — bestemd. Daarin is de diepe grond, de
reden gelegen , waarom de mensch zonder God ontevreden,
ongelukkig is, waarom alle goederen dezer aarde zijn hart
niet kunnen verzadigen. Dat hart toch — voor God be-
stemd — kan door een eindig, beperkt goed niet volgemaakt,
bevredigd of voldaan worden. De wereldsche menschen zijn
dan ook nooit voldaan, zij verlangen altijd naar meer; en
dwazen zijn het, die hier in *t vergankelijke hun geluk zoeken.