Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
168
Ä. Geenszins; omdat die voorwerpen kracht heb-
ben uit de gebeden en zegeningen der H. Kerk.
Men maakt zich schuldig aan bijgeloovigheid of superstitie?
als men om iets te weten, dat wil zeggen , om iets te weten
te komen, b. v., wie dit of dat gedaan heeft, of te bewerken,
dat is, om iets gedaan te krijgen, b. v. een zieke te genezen,^
woorden of zaken bezigt, gebruikt, die daartoe geene kracht,
hebben, noch uit eigene natuur, noch van God, noch uit
instelling der H. Kerk.
Planten en kruiden hebben kracht uit de natuur, en bij-
gevolg doet een dokter geen bijgeloovigheid, als hg kruiden
gebruikt ter genezing van zieken.
De H. Sacramenten hebben kracht van God. Als men
dus gelooft, dat men door het ontvangen van het H. Oliesel
beter zal worden van zijne ziekte, als het zalig is, is dit
geene bijgeloovigheid.
Het is ook geene bijgeloovigheid, als men denkt, dat men
door Maria bijzonder zal beschermd worden , als men haar
schapulier of gewijde medailles draagt, omdat die voorwerpen
kracht hebben uit de instelling en de gebeden en zegeningen
der Kerk. Maar wel zou men bijgeloovigheid doen, als men
dacht zeker van de koorts genezen te worden, met driemaal
om eenen boom te loopen; dit toch heeft geen kracht uit
een der drie bovenstaande dingen. Bijgevolg kan men die
kracht nergens anders zoeken, dan bij den duivel. Daarom
strijdt bijgeloovigheid juist tegen het gebod, of wel a.)
wijl men bij den duivel eene kracht gaat zoeken , die men
niet in God erkent of die God alleen toekomt; en men moet
dus denken, dat God niet almachtig is, en het ons niet
geven kan, of wel, dat Hij niet oneindig goed is en het ons-
niet geven wil; en als men Hem die eigenschappen ontkent,
moet men Hem van zelf ook als God ontkennen; of b.) men
zou ten minste ook den duivel toeschrijven, wat God alleen
toekomt.