Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
gelijkt ze goed op God. Dit ook alléén wordt beteekend
als we zeggen, dat de ziel van den mensch naar Gods beeld
en gelijkenis geschapen is.
Die gelijkenis bestaat voornamelijk hierin , dat
ten l»e God een geest is en onze ziel ook een geest is.
In zoover gelijkt dns onze ziel op God, dat èn God èn onze
ziel een geest zijn. Maar tusschen God en de aiel van den
mensch bestaat toch een groot, ja, een oneindig verschil.
Immers , God is een ongeschapen geest (zie les, 3'^« vraag);
maar de ziel van den mensch is door God geschapen, uit
niets voortgebracht, door God ingestort.
Ten 2'ie hierin, dat onze ziel door God met rede of verstand
begaafd is, en ook God rede of verstand heeft, maar uit
zich zeiven, en oneindig meer dan de ziel van eenig mensch,
hoe geleerd en verstandig eenig mensch , b. v. Adam , Salo-
mon en de Allerheiligste Maagd Maria, ook geweest zij.
Ten S'i" hierin , dat onze ziel een vrijen wil heeft en God
ook, maar alweer met dit oneindig verschil, dat God, omdat
Hij oneindig heilig is, niets kan willen en beloonen dan
hetgeen goed is, en daarom ook het minste kwaad, de
kleinste zonde moet verafschuwen en straffen, omdat Hij
tevens oneindig rechtvaardig is.
Ten 4'ie hierin, dat, gelijk God is één in wezen en drie-
vuldig in Personen, ook onze ziel is één in wezen, drievul-
dig in krachten of vermogens, te weten: verstand, wil en
geheugen.
(Hééft God ook geheugen ?)
Ten 5'ïe hierin, dat gelijk God onsterfelijk is, ook de ziel
van den mensch onsterfelijk is. Toch is er ook bij deze ge-
lijkenis onzer ziel met God al wederom een oneindig verschil.
God is van alle eeuwigheid en in eeuwigheid der eeuwen,
in zich zeiven gelukkig. De ziel van den mensch is in den
tijd geschapen, en alleen onsterfelijk in dien zin, dat ze
eenmaal geschapen altoos zal blijven bestaan, nooit zal te