Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
145
A. Dat God ons onze zonden en straffen vergeve,
gelijk wij vergeving schenken aan hen, die iets tegen
ons misdaan hebben.
In de S*!® vraag bidden wij, dat God ons onze zonden ver-
geve, en de strafl'en, die wij om onze zonden verdiend hebben,
kwijtschelde; maar het vervolg der vraag: gelijk wij vergeven
omen schuldenaren , geeft genoegzaam te kennen , dat, als wij
onzen evennaaste, die ons eenig persoonlijk (Vgl. 2/3»® Les
vr. 4.) onreeht mocht hebben aangedaan , dit onrecht niet
willen vergeven, ook wij niet op vergeving onzer zonden en
schulden mogen rekenen. Onmiddellijk toch na zijne leer-
lingen het „Onze Vader" geleerd te hebben, zeide Christus:
want indien gij den menschen hunne misdrijven vergeeft, dan zal
uw ilemelsche Vader u ook uwe zonden vergeven; maar indien gij
den menschen niet vergeeft, dan zal ook uw Vader u uice zonden
en schulden niet vergeven. (Matth. VI: 14, 15)
Als wij dus anderen niet vergeven , dan vragen wij tever-
geefs , dat God ons vergeve ; als wij dus haat in ons hart
dragen, herinneren ons die woorden Gods straf, welke ons
bedreigt.
11 V. Wat verzoeken wij, als wij zeggen: En
leid ons niet in bekoring ?
A. Dat God de bekoringen van duivel, wereld
en vleesch van ons afwere, of ons de gratie geve om
dezelve te overwinnen.
"Wij laten aan het goedvinden van God over: of wel de
bekoringen, d.i. aanloksels tot zonden van ons te verwijderen,
of wil God toelaten , dat we bekoord worden, dan vragen
wij de gratie om dezelve te overwinnen.
God zelf bekoort niemand , kan niemand bakoren, of tot
zonde aanzetten; dat zou strijden met zijne oneindige heilig-
heid. Hij laat enkel de bekoring toe, en wel om gewichtige
C 10