Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
137
dat is: blijven bidden, niet opbonden, God als het ware
lastig vallen, totdat men verhoord wordt.
Bidden zonder aandacht heet men verstrooid bidden, om-
dat onze gedachten nu hier- dan daarop gevestigd, als het
ware gelijk strooisel verspreid zijn. Onvrijwillige verstrooid-
heid hindert ons bidden niet. Men kan echter op tweevou-
dige wijze vrijwillig verstrooid zijn : door het rechtstreeks te
zoeken, b. v. met rondzien, opzettelijk met andere zaken zich
bezighouden, enz.; en door de oorzaak daartoe te stellen
zonder het opzettelijk to willen, b. v. met te gaan zitten
op een plaats , waar men verstrooidheden voorzien kan.
11 V. Mag men alle dingen op dezelfde wijze
hegeeren in het gebed ?
A. Neen , want geestelijke dingen mag men on-
voorwaardelijk begeeren ; maar tijdelyke dingen voor
zoover zij dienstig zijn ter zaligheid.
Geestelijke dingen, dat is, dingen, die betrekking hebben op
of nuttig zijn voor de zaligheid onzer ziel, welke een geest
is (en daarom geestelijke dingen genoemd worden) mag men
onvoorwaardelijk begeeren, dat is zonder voorwaarde; daar
behoeven wij niet bij te zeggen : als het ons zalig is, want
die zijn ons zeker zalig. Maar tijdelijke dingen, dat is, die
het lichamelijk, het tijdelijk leven aangaan, zooais spijzen,
kleederen, gezondheid , geld , goed , eer, enz., moeten wij
vragen op voorwaarde, dat ze ons zalig zijn, dat wil zeggen:
dat die dingen ons helpen om zekerder in den hemel te
komen, ten minste , dat ze daartoe geen beletsel zijn.
Hoort, wat daarvan de H. Apostel Jacobus in hoofdzaak
zegt: Wat gij aan tijdelijk goed voor u zeiven en de uwen
behoeft, zou God u verleenen , indien gij er Hem om badt;
maar gij bidt niet, of, ja, gij bidt, maar verkrijgt toch niet,
omdat gij kwalijk bidt, omdat gij met eene verkeerde bedoeling
bidt, omdat gij de tijdelijke goederen, waar gij om bidt.