Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
135
Het bestaat dus niet in veel en lang bidden , in dikwijls
communiceeren, in veel naar de kerk gaan; dit zijn enkel
middelen om godvruchtig te kunnen leven, indien ze met
wijsheid gebruikt worden. Een goed teeken van godvruch-
tigheid en een noodzakelijk vereischte voor dezelve is de
gevoegzaamheid, de inschikkelijkheid, veel kunnen verdra-
gen , enz.
2° Door goede werken worden hier verstaan alle werken ,
die wij , geholpen door Gods dadelijke gratie, met een boven-
natuurlijk inzicht (d.i. ter eere Gods) verrichten. Als iemand
niet in staat van gratie, maar in staat van doodzonde is,
dan zijn zulke goede werken voor hem middelen om van
God barmhartigheid en vergifienis te bekomen; doch als
men ze in staat van gratie verricht, zijn zij verdienstelijk voor
den Hemel. Wie dit goed begrijpt, zal er uit besluiten : Ik
zal zorgen om niet alleen bij al wat ik doe, eene goede meening
te hebben, het te doen ter eere Gods, maar ook om alles te
doen in staat van gratie; want dan wordt alles, ook wat op
zich zelf nog zoo gering of onverschillig is (b. v. eten en
drinken), mij tot verdienste aangerekend.
(Het voorbeeld van den kluizenaar, wiens voetstappen door
den Engel geteld werden, aanhalen.)
30 Vooral het gebed.
8 V. Wat is het gebed?
A. Eene samenspraak met God , waardoor wij de
begeerten en gevoelens van ons hart aan God te
kennen geven.
Als wij bidden, spreken we dus met God zeiven! Reeds
uit den aard van het gebed volgt dus de waardigheid van
het gebed, en dat men altoos — gelijk op de lO^e V. geant-
woord wordt — met grooten eerbied, aandacht en volharding
moet bidden. Omdat God alom tegenwoordig is, en harten
en nieren doorschouwt, het binnenste van ons hart doorziet.