Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
133
De eeuwige zaligheid zal bestaan in God te zien, te bezitten,
te genieten. Waarom zal dat zien en aanschouwen van God ons
gelukkig maken ?
Als wij God zien, dan kennen wij God; als wij God in den
hemel kennen, dan beminnen wij God; als wij God in den
hemel beminnen, schenkt Hij daarvoor zich zeiven aan ons,
dns dan bezitten wij God; en als wij God bezitten, dan ge-
nieten we God en in God alle goed. Want in God is alle
goed in de hoogste mate vereenigd; God is het opperste
goed.
Het voorwerp onzer hoop is dns God, en alles wat er
noodig is om tot het bezit van God, tot de eeuwige zalig-
heid te geraken. De middelen, ter zaligheid noodig, zijn op
de eerste plaats de heiligmakende genade, en de dadelijke
genaden, die God ons geeft. Verder het gebed en de H.
Sacramenten, omdat wij daardoor de heiligmakende genade
en bijzondere dadelijke genaden van God verkrijgen. (Vr. 7.)
5 V. Uoe moeten wij dit van God hopen ?
A. Met een vast vertrouwen.
Onze hoop moet vast zijn. Wij moeten niet twijfelen , of
denken: zou God mij wel geven wat mij zalig is ? Alles
wat ons zalig is, geeft God mildelijk aan allen, die er Hem
om bidden gelijk het behoort. Men vrage das dat alles met
geloof, vastelijk geloovende aan , vertrouwende op Gods be-
lofte, niet twijfelende; want die twijfelt, is gelijk aan eene
zeegolf, die door den wind bewogen en herwaarts en derwaarts
geslingerd wordt. Hij meene dan niet, die mensch, dat hij iets
van hetgeen hij zóó van God zou vragen, van den Heer
ontvangen zal, juist omdat hij de middelen, die ter eeuwige
zaligheid noodig zijn, niet met een vast vertrouwen van God
hoopt. (Vgl. den Brief v. d. H, Jacobus, I. 5—7.) Christus
vorderde ook in het Evangelie een geloovig vertrouwen,
alvorens een wonder te doen.