Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
dien ook voor ons verdienen. En daar de verdiensten van
Christus oneindig zijn , worden de schatten der fl. Kerk ook
nooit uitgeput.
7 V. Waardoor worden de voldoeningen der Hei-
ligen 07ts toegevoegd ?
A. Door de Aflaten.
Waardoor worden de voldoeningen der heiligen ons toegevoegd?
dat wil zeggen, waardoor krijgen wij ons deel van die vol-
doeningen P of, wat moeten wij doen om er ons part van te
krijgen P
Wij krijgen er een deel van, als wij aflaten verdienen.
8 V. Wat zijn Aflaten?
A. Kwytscheldiugen der tijdelijke straffen, die wy
voor onze reeds vergevene zonden nog zouden moeten
ondergaan.
Aflaten wil zeggen : er afdoen , er wat aflaten.
Aflaten zijn dus afdoeningen of kwijtscheldingen van tijde-
lijke strafJ'en; b. v. als iemand eene rekening moet betalen,
en men schrapt er drie of vier gulden van door, dan zijn
er die afgedaan of afgelaten: zij zijn hem kwijtgescholden,
en hij behoeft ze niet meer te betalen.
Zoo ook: een kind heeft drie dagen straf, nu doet er de
meester twee af; die twee dagen zijn aan het kind kwijtge-
scholden, 't is als *t ware twee dagen aflaat voor dat kind.
Zoo doet ook God met ons, wanneer wij aflaten verdienen.
Hij laat dan wat van onze straf af, scheldt er wat van kwijt.
Van welke straf doet God een gedeelte af, als wij een aflaat
verdienen ?
Van onze tijdelijke strafien (niet van de eeuwige, deze wordt
met de zonde vergeven) die wij voor onze reeds vergevene
zonden nog zouden moeten ondergaan.
c 8