Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
A. Omdat Ilij de Liefde is van den Vader en den
Zoon, en uit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt.
Hot woord „ toegeschreven" duidt reeds aan , dat de H,
Geest niet alleen ons heilig maakt, maar ook de twee andere
personen ; zooals verklaard is in de Les 5<ie vr.
Om twee redenen, te Samen genomen, wordt dus onze
heiligmaking aan den H. Geest bijzonder toegeschreven.
Ten , omdat Hij de Liefde is van den Vader en den Zoon.
Immers reeds in de 6 '« Les, handelend over het mysterie
der H. Drievuldigheid, leerden wij, dat God de H. Geest
van God den Vader en van God den Zoon te zamen voort-
komt door de oneindig volmaakte liefde, waarmee God de
Vader en God de Zoon van alle eeuwigheid elkander be-
minnen, zóódat God de H. Geest de medezelfstandige Liefde
is van God den Vader en God den Zoon.
Ten omdat nit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt. Dat
wij menschen van zondaren , als wij reeds waren bij onzo
geboorte ten gevolge der erfzonde, door het H. Sacrament
des Doopsels geheiligd, en in den staat van heiligmakende
gratie herschapen werden, en dat we, toen we tot gebruik
van ons verstand gekomen, wellicht het ongeluk hadden door
dadelijke zonde die heiligmakende gratie weer te verliezen,
door eene goede Biecht in staat van gratie hersteld zijn , en
dns opnieuw geheiligd werden, het recht op het geluk der
Heiligen in den hemel herkregen hebben — dat alles hebben
we enkel en alleen aan Gods liefde te danken. Zeker zijn
we voor die weldaad zoo goed aan God den Vader, en God
den Zoon dank verschuldigd als aan God den H. Geest.
Want God de Vader heeft de wereld zoo lief gehad, dat
Hij te harer verlossing en heiligmaking zijn eenigen Zoon
ten beste gaf. (Joh. III. 16.) En God de Zoon had alle
menschen zoo lief, dat een ieder onzer het den H. Paulus
mag nazeggen : Hij heeft mij liefgehad en zich zeiven voor
mij geleverd. (Br. aan de Galat. II. 23.) Desniettemin wordt