Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
lil
;i 96
A. Dat Hij waarlijk God is, en de derde Persoon
f Tan de Heilige Drievuldigheid.
J In de H. Schrift wordt de H. Geest nadrukkelijk God ge-
noemd h. v. Hand. V: waar de H. Petrus zegt, dat liegen
f' tegen den H. Geest, liegen is tegen God ; — zoo ook worden
Hem de goddelijke eigenschappen toegeschreven, zooals de
alwetendheid bij Joes XVI. enz. Is Hij waarachtig God,
dan kan Hij niet minder zijn, dan de twee andere goddelijke
personen. (Vr. 3), en is Hij even oud, omdat Hij van eeuwig-
heid is; en komt Hem zeker goddelijke eer toe. (Vr. 4.)
3 V. Is de Heilige Geest minder dan de andere
tieee Personen ?
A. Geenszins; maar Hij is van één wezen of
ééne natuur met God den Vader en God den Zoon ,
en even wijs, machtig , eeuwig, enz.
De H. Geest is niet minder dan de andere twee Personen,
omdat Hij dezelfde goddelijke natuur heeft, waaruit al Gods
volmaaktheden voortkomen; bijgevolg moeten die van den
H. Geest dezelfde zijn als van den Vader en den Zoon.
(Uitgelegd in de les van de H. Drievuldigheid.)
4 V. Wat eer moeten icij aan God den Heiligen
Geest bewijzen?
A. De goddelijke en opperste eer.
Vraag en antwoord geven genoeg te vei staan, dat er meer
dan één soort van godsdienstige vereering te onderscheiden
is. Wezenlijk verschilt de eer, die wij aan God moeten
bewijzen, veel, ja hemelsbreed, oneindig van de eer, die
we aan de Heiligen, Gods dienaren, en onder de Heiligen
vóór alle anderen aan Maiia, als de onbevlekte Maagd en
Moeder Gods verschuldigd zijn.
Aan Maria bewijzen wij wel een hoogeren graad van eer