Boekgegevens
Titel: Leiddraad tot de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde
Auteur: Visscher, Lodewijk Gerard
Uitgave: Utrecht: W.F. Dannenfelser, 1860
2e uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1230
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206539
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad tot de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ié 3e TIJDVAK : 1702—1795.
voorstelt; dan zou ik iedcren zeeman, die zicli, niet uit bijzon-
dere leergierigheid, maar uit verpligting van ziju beroep, op
derzelver beoefening toelegt, voorzeker afraden, om zich met
die moeijehjke nasporingen bezig te houden. Doch het is er zoo
ver af, dat ik integendeel gerust verzekeren durf, dat ieder,
die bij een middelmatig begrip slechts eene behoorlijke oplettend-
heid en werkzaamheid, (zaken zonder welken niets in de v/ereld,
noch vau theorie, noch van praktijk, behoorlijk geleerd of ver-
ligt kan worden,) voegen wil, in eenen vrij korten tijd, en
zonder dat hij zijne overige bezigheden behoeve te verzuimen,
zich eene genoegzame kennis van de gronden der Stuurmanskunst
verschaffen kan. — Ik durf verder gaan, en verzekeren dat hij,
die op deze wijze zich geoefend heeft, in het vervolg, met veel
meer genoegen, en in veel minder tijds, zijne waarnemingen en
berekeningen vcrrigten zal, cn, waarop het hier in het bijzonder
aankomt, veel veiliger voor misslagen ziju zal, en dus veel beter
op zijn werk zal vertrouwen kunnen, dan iemand, die, zonder
dc gronden te verstaan, voor ieder geval regels volgen moet,
waarvan hij niets begrijpt; die, zoo hij bij geval vergeten had,
of de straalbuiging volgens den regel moest afgetrokken of bijge-
teld worden, en hij geen boek bij de hand had, om zulks na te
zien , terstond zou verlegen staan, en zich niet weten te helpen;
die bij ieder geval, dat eenigzins van den gewonen regel afwijkt,
terstond buiten raad is, en althans nimmer bekwaam is om de
feilen, die hij in zijn werk zou kunnen begaan hebben, zelf te
ontdekken; indien de uitkomst ze niet verraadt. Vergun mij, u
door een voorbeeld mijne gedachten klaarder uit te drukken. —
Waarom is het leeren van talen voor de meeste mensehen zoo
moeijelijk ? Omdat het enkel geheugenwerk is, waarbij )nen zich
nimmer bij het ééne woord het andere kan heriuneren, dewijl er
geen zamenhang tusschen de verschillende woorden is, en men ze
dus elk afzonderlijk in het geheugen prenten eu behouden moet. —
En is dit niet het geval met alle andere dingen, welke men
leert, zonder de gronden en het verband daarvan in te zien ?
Iemand, die, zonder regt te begrijpen wat een uurhoek, een
azimuth, eene zons-ware, eene breedte, declinatie enz. eigenlijk
is, elk derzelven heeft leeren berekenen, heeft voor elk dezer
bewerkingen eenen bijzonderen regel moeten leeren. — Hij heeft
bij eiken regel verschillende gevallen moeten onderscheiden, of de
zons-declinatie en breedte, bij voorbeeld, van denzelfden of van
verschillenden naam zijn, of het uur vóur of mi den middag valt,
enz. — Al die regels ziju b'j hem buiten zamenhang, de eene