Boekgegevens
Titel: Leiddraad tot de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde
Auteur: Visscher, Lodewijk Gerard
Uitgave: Utrecht: W.F. Dannenfelser, 1860
2e uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1230
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206539
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad tot de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
266 2e tijdvak : 1584—1702.
meesten: en maakte geenen last, van allen man te gemoete te
gaan, tot het nyterste der reede toe. Thans gekoomentot Woerde,
werd hy, door de Majestraat van Uitrecht, gebeeden, om (zijnde
zoo nae by) haare stadt niet te misdeden van de eere zijns be-
zoex: doch, dat het geschieden moghte, zonder hoede van sol-
daaten meê te brenghen; in plaats der welke , men hem een vendel
burghers zouw byvoeghen. Al te zorghlyk vonden dit de Prinses
cn veel andren: gemerkt die van Uitrecht zich noch onvoldaan,
en van zyne regeering afgezondert hielden. Maar zyne Doorluch-
tigheit, steunende op de kracht eener vranke rustigheit, die,
gemeynlyk, door 't vertrouwen, d'ontrouw tot suf heit oft be-
keering brengt, wilde (ongeacht de quaadwilligheit van veclen
daer binnen zijnde) het waaghen zonder eenighe lijfwacht, oft
andren toeverlaat dan de kenlyke zucht der burgherye t'haarwaarts.
En hy ging 'er, met de Prinses, en enklen hofstaat, den acht-
tienden van Oestmaandt. In 't schieten der welkoomst quam uit
de kaamers ('t is een' soort van lichte bussen) staande aan de
Tollesteeghspoort, een prop gespat in 's Prinsen koetswaaghen.
't Welk zijn' gemaalin zulx verschrikte, dat zy hem om den
hals vloogh, roepende: wy zijn verraaden. Hy zonder zich daar
in t' ontzetten, zeyde: 't was niei met al, en hebbende haar te
vreede gestelt, deed vrymoedelyk ter poort in mennen. Onder
't vaaren door stadt, viel, by ongeluk , een meysken van neeghen
jaaren t'eener venster uit, en plotselijk doodt, voor de voeten
der paarden : die daar oover bleeven stil staan. Een oovergeloo-
vigh hart moght, mits dit tweede, en zoo oevd een ontmoetsel,
't een en 't ander voor cenigh voorspook van quaade vergankenis
zyner intreedc neemen. De Prins, naa 't bezighlighen des kinds,
met beklagh van de rouw der maaghen, vorderde zynen wegh;
bleef t' Uitrecht ten derden daaghe toe ; en onthaalt zijnde met
alle hartlijkhcit, vertrok genoegh verzeekert, de zaaken aldaar
zulx beschikt te hebben, dat de stadt weeder t'zyner gehoorzaam-
heit keeren zouw: hoewel dit noch lang aandroegh.
Vermeestering van Maastricht door Parma.
De beleegherden , midlerwyle, tenhooghstebenaauwt, maakten,
op den drieëntwintighsten van Zoomermaant, eenen man uit te
kryghen, die, met maghtigh gevaar zyns lyfs, 't Antwerpen
raakte, en 'svyands voortgank, en hunnen afbrek, deu Aarts-
hartooghe , en Prinse , te kennen gaf. Deeze zonden, den vy-