Boekgegevens
Titel: Verhalen en leerrijke voorbeelden uit de vaderlandsche geschiedenis, voor de jeugd: met platen
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1840
Opmerking: Oorspr. titel: Verhalen en leerrijke voorbeelden voor de jeugd, benevens eenige bijzonderheden wegens de groote en kleine visscherijen. - 1824
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1199
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206487
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis van Europa
Trefwoord: Geschiedverhalen, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verhalen en leerrijke voorbeelden uit de vaderlandsche geschiedenis, voor de jeugd: met platen
Vorige scan Volgende scanScanned page
78
De schepen, tot de IValvisch-vangst geschikt,
zeilen omtrent de helft der maand April naar zee,
en naar de plaats, waar zij oordeelen het best de wal-
risschen te zullen aantreffen; alsdan gaan zij bij het
ijs liggen, of zeilen zoo ver tusschen hetzelve in, als
zij oordeelen, zonder gevaar te kunnen doen. Nu
aldaar ten anker liggende, zoo wordt van elk schip,
eene of meer sloepen met volk uitgezet, welke zich
op eenigen afstand van de schepen begeven, om te
zien, of er walvisschen, van onder het ijs, te voor-
schijn komen; dit noemt men op de Brandwacht
liggen. Somtijds ziet men ook wel op de schepen,
al zeilende, naar de walvisschen uit, en men laat dan
eene uitgeruste sloep achter aan het schip naslepen.
Zoodra men nu, in het eene of andere geval, eenen
walvisch ziet, 'of door deszelfs blazen gewaar wordt,
dat er een in de nabijheid is, dan wordt door den
Kammandeur geroepen: val', val! op welk bevel de
manschappen, die tot de sloepen behooren, spoedig
in dezelve springen, om den walvisch te helpen aan-
vallen terwijl er tot elke sloep, een man als Stuur-
man van dezelve, zes mannen om te roeijen, de
Harpoenier, en de Lijnsteker behooren. Wanneer
men nu gezien heeft, waar de walvisch zich bevindt,
dan roeit men naar denzelven toe, en digt bij hem
zijnde, zoo werpt de Harpoenier, die vooraan in de
sloep staat, den Harpoen in het ligchaam van den
walvisch. De Harpoen bestaat in een ijzer, van meer
dan 20 duimen lengte; hij heeft eene scherpe punt,
en deze is met twee weerhaken voorzien. Achter aan
den Harpoen, is een houten steel of stok vast,