Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
71)
XVII. IN SAMARIÈ.
oorsprong hebben in de beloften aan Abra-
ham, dat «in zijn zaad alle geslachten
des aardrijks gezegend worden». Evenzoo
kon de verwachting der vrouw, dat de
Messias «ons alle dingen zal verkondigen»,
op Deut. XVIII : 15—18 gegrond zijn.
AANHANGSEL 1. ~ DE SAMARITANEN
Dit zonderlinge volk was niet, zooals
sommigen ten onrechte denken, een ge-
mengd ras, gedeeltelijk Israelitisch, gedeel-
telijk Heidensch, maar het stamde af
van de kolonisten, die door Salmanasser uit
Babyion en andere steden gebracht werden
om zich in de woningen der tien stammen,
die hij in de ballingschap had weggevoerd,
neder te zetten, zie II Kon. XVII. Dat
zij geen recht hadden om kinderen van
Abraham genoemd te worden, blijkt uit
de eigen woorden van Christus, in Matth.
X : 5, 0; Luk. XVII : 18.
Eerst waren zij afgodendienaars en dien-
den Jehova (als een plaatselijke godheid)
en andere goden tegelijkertijd. De afgoden-
dienst schijnt echter langzamerhand uit-
gestorven te zijn, en omstreeks het jaar 409
v. C. werd er een prachtige tempel voor
den dienst van God op den berg Gerizim
gebouwd door een gevluchten Joodschen
priester, Manasse genaamd, (zie Jozefus
Ant. XI : 7, 8;, van wien men vooronder-
stelt dat hij de kleinzoon van den hooge-
priester was, die, wegens zijn huwelijk met
de dochter van Sanballat, door Nehemia
verbannen was geworden (Neh. XIII: 28).
Deze tempel werd in 109 v. C. door Jo-
hannes Hyrcanus, een van de Macabeesche
Joodsche vorsten verwoest; maar de Sama-
ritanen gaan tot op dezen dag voort met
aldaar te aanbidden, ofschoon hun aantal
tot op 200 gedaald is. Zonderlinge be-
schrijvingen van hunne godsdienstige ge-
bruiken kan men in de nieuwe werken over
Palestina vinden. De zeer oude overzetting
van den Pentateuch, welke zij bezitten,
verschilt hier en daar van den Hebreeuw-
schen tekst, die klaarblijkelijk veranderd is
geworden om de aanspraken van den berg
Gerizim als Gods uitverkoren woonplaats te
ondersteunen. In een Duitsche encyclopedie,
waarnaar door Trench verwezen wordt,
lezen wij, dat de Samaritanen gezegd worden
te gelooven, dat de Gerizim, en Eden,
Arrarat, Moria en Beth-el dezelfde plaats
^is. Geen wonder, dat de arme vrouw den
«heiligen berg» vereerde.
De haat der Joden tegen de Samaritanen
werd ongetwijfeld allereerst veroorzaakt
door de vestiging van een vreemd volk in
het Beloofde Land, en werd nog erger door
het verzet tegen het herbouwen des tempels
(Ezra IV—VI), door hunne Godsvereering
op (ien berg Gerizim, waarin zij mét de
Israëlieten trachtten te wedijveren, en door
de aanspraak, die zij maakten, om tot de
Israelieten gerekend te worden. Zij werden
in de Synagogen openlijk vervloekt, en van
elk godsdienstig en wettelijk voorrecht
uitgesloten. Onzen Heer «»een Samaritaan»
te noemen, was de grootste beleediging,
die de Joden Hem aan konden doen.
Sommigen beweren, dat de naam Sichem
bij wijze van spotternij door de Joden in
Sichar werd veranderd, hetgeen «dwaas»
of «dronken» beteekent. De schrijver van
het boek Ecciesiasticus (hoofdst. I : 25,
26) spreekt van zijn hart, dat «een afschuw
heeft» van diegenen «die in de bergen van
Samarië wonen» en van het «dwaze volk,
dat in Sichem woont».
Aan den anderen kant werden deze
gevoelens op gelijke wijze door de Sama-
ritanen beantwoord, en er wordt dikwijls
gewag gemaakt van hun bitteren haat.
Zij weigerden vaak de minste gastvrijheid
aan de Joodsche reizigers, die door hun
grondgebied naar de feesten van Jeruzalem
gingen (verg. Luk. IX : 53). Zij vielen de
pelgrims zelfs aan en beroofden ze. Men
zegt, dat zij eens den tempel verontreinigd
hebben, door er binnen te gaan en been-
deren van doode menschen rond testrooien.
Zij veroorzaakten verwarring in de vuur-
seinen op de toppen der bergen, die door
de Joden gebruikt werden, om den juisten
tijd van het opgaan der Paaschmaan a;in
hunne verstrooide broederen mede te
deelen, door op verkeerde tijden vuren
aan te steken, enz. Zij verachtten Jeru-
zalem als een betrekkelijk nieuw heilig-
dom zonder verleden, terwijl zij volhielden,
dat het hunne werkelijk de oudeen ware
plaats van godsvereering was. Zij ver-
' wierpen het Oude Testament behalve de
I boeken van Mozes en gaven voor, de
i eenige \\are opvolgers der Wet te zijn.