Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVII. IN SAMARIË.
i i
tegenwoordigheid worden geplaatst; en dit
is het, wat de Heer hier doet. Ryle zegt
(Uitleggende gedachten over Joliannes) «De
eerste dronk levend water was overtuiging
van zonde.»
Het antwoord van de vrouw, in vers 19,
is in werkelijkheid eene belijdenis van
hare zonde. Maar waarom gaat zij dadelijk
over tot het punt van gescUil, tusschen
Joden en Samaritanen ? Sommigen zeggen,
om een onaangenaam onderwerp te ver-
mijden. Maar, zooals Alford zegt,, «de
gedachte, dat zij de bestraffing des Heeren
trachtte te ontgaan, komt in geheel
niet overeen met hare erkenning van Hem
als den profeet.» Zij is veel eerder ont-
steld door de blootlegging van hare zonde;
zij voelt de rechten Gods op haar, «wat
zal zij doen om zalig te worden?» Dan
komt haar plotseling weder de oude strijd-
vraag te binnen — wat moet zij gelooven?
«ik wilde God wel dienen — maar onze
vaderen» enz. Over den Godsdienst der
Samaritanen, zie Aanhangsel L
7. vers 21—24. Jezus' antwoord is een
van de meest verhevene, die Hij ooit ge-
geven heeft. Hij begint met de woorden: —
«geloof mij» — hetgeen nergens anders
van Hem vermeld wordt. Hij handhaaft
het Goddelijke gezag van de Joodsche gods-
vereering, door zich zeiven met de Joden
te vereenzelvigen. « Wij weten, wij aan-
bidden» (deze uitdrukking komt ook alleen
hier voor). Tegelijkertijd «kondigt Hij het
voorbijgaan van eiken vorm van godsdienst
aan, die aan een plaatselijk middenpunt
is gebonden, om plaats te maken voor
dat geloof, hetwelk zijn middenpunt overal
en nergens zijne grens zoude hebben.»
{Trench). En hij openbaart God als (a)
een Vader met al de teedere zorg, die wij
aan het denkbeeld van vader vastknoopen,
zoekende (eene merkwaardijje uitdrukking)
ware aanbidders (hoe aanmoedigend voor
de vrouw! — God wilde haar aannemen,
wanneer zij zich waarlijk tot Hem keerde,
onverschillig waar zij zoude aanbidden);
als (6) een Geest; dus mocht men zich
Hem niet voorstellen als meer in de éene
plaats dan in de andere wonende, verg.
Hand. VII : 48, XVII : 24, 25; 1 Kon.
VHI : 17; Jes. LXVI : 1; Jer. XXIH:24;
en Hij moest «in geest en in waarheid»
aangebeden worden.
Trench merkt op, dat, hoe diep het
gezegde «God is een Geest» ook zij, de
vrouw er toch eenigermate de beteekenis
van heeft kunnen nagaan, omdat het woord
«Geest» hetzelfde is als dat voor «wind»
{zoowel in het Grieksch als in het Ara-
meesch); en het denkbeeld van God, die
evenals de wind alles doordringt, aan geene
plaats gebonden is, hierdoor bij haar op-
gewekt zoo worden.
8. Zegt gijlieden niet i.Het zijn nog
vier maanden en dan komt de oogst»-?"
Men heeft er veel over getwist, of deze
woorden alleen op een spreekwoordelijk
gezegde doelen, of werkelijk een feit aan-
geven, nl. dat de Heer in de maand
December in Samarië was, d. i. vier maan-
den voor het begin van den gersteoogst. Het
is onnoodig, de verschillende argumenten
hier op te sommen. De meeste schriftuit-
leggers nemen het laatste aan, en het komt
ons voor als het waarschijnlijkste; maar in
alle geval zal men op zulk een twijfelachtig
punt geen chronologisch stelsel mogen
bouwen.
9. De hoofdbeteekenis van vers 34—38,
welke op het eerste gezicht moeilijk schijnt,,
is in de schets reeds duidelijk gemaakt.
Men moet er aan denken, dat zij de be-
schrijving bevatten van hetgeen de Heer
gedaan had. Zijn antwoord op de vraag
der discipelen, hoe Hij gesterkt was ge-
worden, en eene aanmoediging voor hen
is het werk, waartoe zij waren geroepen.
De uitdrukking nanderen hebben het be-
arbeid», verwijst niet (in elk geval niet
rechtstreeks) naar de oudtestamentische
profeten, maar naar Hem zelf. Hij was^
juist op dat oogenblik «arbeidende geweest
en zij zouden tot Zijnen arbeid ingaan»
door de voldoening te smaken van het
ontvangen {misschien doopen) van de
Samaritanen, die geloofden; evenals van
Zijn arbeid in het geheele verlossingswerk,
den «rarbeid Zijner ziel» (Jes. LUI: Tl), het
geheele welslagen der evangelieprediking
van elk Zijner dienstknechten afhangt,
wier zwaarste arbeid slecht een vreugdevol
maaien is, vergeleken met Zijn zaaien.
10. Het is opmerkenswaard, dat de
opvatting der Samaritanen van den Messias
als don «Zaligmaker der wereld», veel
verhevener was dan die der Joden. Daar
zij geen andere boeken van het O.Testament
hadden ontvangen dan de boeken van
Mozes, konden zij de latere en vollediger
profetieën niet, zooals de Joden, verkeerd
begrijpen; en hunne opvatting kon haren