Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
71)
XVII. IN SAMARIÈ.
Hem, en tot erkenning van Hem als den
Messias; en dat Zijn meer openlijk op-
treden en Zijne wonderwerken uitgesteld
werden, totdat er aan Johannes' voorbe-
reidende zending een einde was gemaakt
door zijne gevangenneming, om daarna —
toen de Joden de eischen van Jezus had-
den verworpen — in Galiilea een aan-
vang te nemen.
Het «land van Judea» — d. i, wat
buiten de steden lag.
Waarom doopte Christus zelf niet? Waar-
schijnlijk om dezelfde reden als Paulus
aangeeft ('1 Cor. 1:14—i6). Trench zegt:
«Hij behield den doop met den Heiligen
Geest voor Zich zelf».
2. De kortste weg van Judea naarGalilea,
liep door Samariê, en werd gewoonlijk door
heen- en weerreizenden genomen, ofschoon
de strenge Farizeën dikwijls den weg van
den Jordaan ginger, om de gemeenschap
met de Samaritanen te vermijden. De ge-
wone uitlegging, welke de uitdrukking
<<.moestf> in verband brengt met de liefde-
rijke bedoelingen van Christus, is waar-
schijnlijk de ware.
Over de vraag, of deze reis dezelfde is
als die, welke in Matth. IV : 12; Mark.
1 : 14; Luk. IV: 14, genoemd wordt, zie
Aanhangsel III, blz. 84.
3. «Houden geen gemeenschap», letter-
lijk: gebruiken niets met, zooals bekers,
enz. Merk od, dat dit hier wordt gezegd,
als een bewijs van den haat der/oden —
<(de Joden hebben» enz. Er was echter
genoeg gemeenschap, om de discipelen in
«taat te stellen eenig brood te koopen;
verg. Luk. IX : 52.
4. Vers 10—15. «De gave Gods». Men
heeft er veel over getwist welke zegening
Gods de Heer aldus betitelde; sommigen
zeggen «Hij zelf»; anderen zeggen «de
Geest»; anderen «de reiniging door Zijn
bloed», weder anderen «het bad der weder-
geboorte». Wanneer wij er aan denken,
dat het gesprek over drinken, niet over
reinigen liep, schijnt het duidelijk, dat het
iyiwendige werk van den Geest allereerst
bedoeld wordt, maar het is mogelijk dat
^r tevens op alle geestelijke zegeningen
gezinspeeld wordt, zooals deze dikwijls
in het Oude Testament beloofd worden
onder het beeld van water, zie Psalm
XXXVI : 9, 10; Jes. XH : 3, XLIV : 5;
Ezech. XXXVI: 25, XLVTM, enz.; Zach.
XIV : 8.
De woorden «levend water» beteekenen
frisch, stroomend, geen stilstaand water;
zie Gen. XXVI : 19; Lev. XIV : 5; Num.
XIX: 17; Hoogl. iV:15, en het antwoord
der vrouw toont, dat zij het verstaan heeft,
wanneer zij verwijst naar het water in
den put, dat ook «levend water» is. Alleen
zulk water kon een beeld zijn van de
zegeningen des Evangelies; zie Jer. II: 13.
5. Zijt gij meerder dati onze Vadei'
Jacob?
Deze woorden verwijzen naar het ge-
zegde van Jezus: «wie hij is, die tot u
zegt», en staan gelijk met — «Wie gij
ook zijt, hij, die beter water kan geven
dan dit, moet grooter zijn dan Jakob —
maar hoe kan dit zijn?» Het antwoord
van den Heer wekt bewondering om zijne
wijsheid. — Het wijst het eenige gebrek
van dit water aan, toch geen werkelijk
gebrek; maar daarom doet het juist zooveel
te meer de voortreffelijkheid van het
water, dat Hij wilde geven, uitkomen —
«uw water heeft al de hoedanigheden
van goed water, maar het mijne heeft
die ook, en nog eene bijzondere hoedanig-
heid van zich zelf bovendien», waaruit
tevens blijkt (wat ook de vrouw nu schijnt
te bevroeden, vers 15) dat het eene geeste-
lijke gave is.
(üGeef mij dat water», enz. Sommigen
vatten deze woorden ironisch op, als eene
uitdrukking van ongeloof. Zij zijn veel
eerder de uiting van een half onbewust
verlangen van de vrouw naar iets, dat zal
bevredigen. Zoowel het verstand als het
hart openen zich. Zij ziet, dat dit «levende
water» iets is, waarvoor geen watervat
noodig is om het te putten, en dat de
dorst voor altijd lescht; maar de voor-
stelling, die zij heeft, dat het bezit van dit
water haar het gaan naar den put zal
besparen, bewijst, hoe onvolkomen zij tot
nog toe Christus verstond.
6. Vers 16—20. Het vinden van een
verband, tusschen 's Heeren bevel aan de
vrouw om haren man te roepen en het
voorafgaande gesprek, heeft velen onnoodig
in verlegenheid gebracht. Zijne woorden
moeten beschouwd worden als de eerste
stap om hare vraag toe te staan. Alford
zegt terecht: «Het geef mij dit watera
was niet zulk een eenvoudige zaak als
zij wel dacht. Het hart moet eerst voor
de wijsheid Gods opengelegd worden, de
verborgen zonden in liet licht van Zijne