Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
71)
XVII. IN SAMARIÈ.
Maar zoudt gij den oogst kunnen hebben
zonder het zaaien?
I. Het geduld en de hoop van
den Zaaier.
Terwijl Jezus aan Jacobs put zat, waar
waren toen Zijne discipelen ? vers 8. Zonder
twijfel haasten zij zich, om bij hun ver-
moeiden meester terug te komen. Maar
zie — spreken zij nu vriendelijk tot Hem
en geven zij Hem dadelijk het voedsel, dat
zij gekocht hebben? vers27. Allen zwijgen
stil. Zes of zeven personen bijeen, en geen
van hen spreekt een woord. De discipelen —
verwonderden zich (a) toen zij zagen, dat
Jezus, niet langer uitgeput van vermoeid-
heid, naar water verlangt om Zijn bran-
denden dorst te lesschen, maar daar zit
met het gelaat vol hoop, liefde, blijde en
heilige bezieling; (b) toen zij zagen wie
daar nog meer was — eene vrouw! en
wel eene Samaritaansche! De vrouw —
sprakeloos — Hij, een arme, zwervende
Jood, dien zij onvriendelijk had behandeld,
de lang verwachte Mesias! Jezics Zelf
zwijgt ook stil — waarom? Hij heeft
gezaaid — ziet reeds nu het zaad opko-
men — de oogst is ophanden — hierover
denkt Hij (Verg. een soortgelijk stilzwij-
gen, Joh. XXI : 12).
Wie verbreekt het eerst dit samenzijn?
— vers 28. Zie, hoe zij zich spoedt om naar
de stad te gaan, terwijl zij hare zware
kruik achterlaat om sneller te kunnen
loopen.
Dan geven de dicipelen het voedsel;
maar Hij verlangt er niet naar — waarom?
Lees vers 31—34. Wat beteekent dit?
1. Was Hij niet werkelijk vermoeid,
hongerig, dorstig geweest? Zie vers G —
denk er aan hoe laat het was — aan de
hitte van de middagzon blootgesteld —
en alleen gelaten bij den put, terwijl de
anderen voortgaan — Zijne vraag aan de
vrouw — en zie Heb. 11 : 17, IV : 15.
Ja, Hij leed zooals wij lijden zouden.
En toch, wat deed Hij ? Denk aan al het-
geen Hij tot de vrouw sprak — aan al
Zijne wijze, vriendelijke woorden; en zij,
eene slechte vrouw — en zoo ongevoelig
tevens — zij kon het water putten, maar
gaf zij Hem te drinken? Hoe geduldig,
hoe onzelfzuchtig (verg. Rom. XV : 3)?
2. Hoe kon Hij dan al deze dingen
doen? Niet bepaald omdat Hij God was
{verg. Les XI, XII), In Zijne kracht was
Hij ons gelijk, even als in Zijn lijden.
Wanneer iemand iets zeer opwekkends en
aangenaams doet, zal hij dikwijls vermoeid-
heid vergeten, ook wanneer hij in angst of
levensgevaar verkeert. [Voorbeelden: —
een leger, dat bezig is de overwinning op
den vijand te behalen — matrozen in een
storm (b.v. Hand, XXVII : 33)].
3. Maar wat was het «vleesch van
Christus?» Wij hebben gezien waarin Hij
aan ons gelijk is — zien wij nu waarin
Hij verschilt. Is er iets opwekkends, bezie-
lends in, om met eene onwetende, onvrien-
delijke, zondige vrouw over God te spreken ?
W^at maakte het zoo aangenaam voor
Hem?
(a) Het was de wil en het werk Zijns
Vaders. Wanneer had hij hiervan te voren
gesproken? Luk. H : 49 {Zie LesW). Zie
wat van Hem voorspeld was geworden,
Ps. XL : 8. Wanneer «voleindigde» Hij
Gods werk? Zie Joh. XVH : 4, XIX : 30.
(b) Het was zaaien* AI dat geduld met
de vrouw, gelijk aan het geduld van den
zaaier. En Hij zag uit naar den oogst
(zooals Hij dit op het Kruis deed. Heb.
XH : 2). Zie nu, wanneer de eerste schoo-
ven vergaderd werden.
II. De vreugde en het loon van
den maaier. {Lees vers 35—38.)
Wanneer het zaad gezaaid is, hoe lang
moet men dan nog wachten op den
oogst? Hieraan herinnert Jezus de discipelen