Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
71)
XVII. IN SAMARIÈ.
halen in de stad. Wie is het? {Lees vers
5—9). Er is helder, frisch water in dien
put; maar kan Hij het krijgen? Er nadert
eene vrouw — met een grooten kruik op
haar hoofd — zij gaat water putten —
Hij zal haar te drinken vragen. Is hierin
iets vreemds? Verg. Gen. XXIV: 17; 1 Kon.
XVII : 10. Zag Hij er niet uitgeput uit?
Zou zij geen medelijden met Hem hebben?
De vraag verrast haar ten zeerste —
waarom? De Samaritanen waren groote
vijanden van de Joden; de Joden verachtten
ze als vreemdelingen — haatten ze, omdat
zij beweerden Abrahams kinderen te zijn
— wilden niet met hen eten of dezelfde
vaten gebruiken, enz. (zie Joh. VIH: 48);
zij waren afgunstig van de Joden — achtten
zich zeiven goed — mishandelden de
Joden, die door hun land reisden (Luk.
IX : 52,53). [Zie AanL 3 en Aanhangsel L] \
En Jezus ontvangt dus geen water! Wat i
zegt God van deze «vijandschappen, twisten, j
afgunstigheden, toorn, gekijf», Gal,V: 20,21 ? j
n. Het Hemelsche water aan- |
geboden. {Lees vers 10—15.) !
Bestraft Jezus de vrouw? «Indien gij i
kendet — hadt begeerd---- Hij zou u \
gegeven hebben» — zou haar geheel
anders behandeld hebben — is dit geen
bestraffing voor hare onbeleefdheid? —
en toch hoe zacht! En wat zou Hij ge-
geven hebben? Zie hare verwondering —
«van waar heeft Hij het dan? — niet uit
den put» — waarom niet? «en bedoelde
deze Jood dan beter water dan wat daar
ivas? — was Ht; niet tevreden met/a/tobs
water I» Maar Jezus wijst op twee gebreken
van dat water, goed als het is: (a) het
kan den dorst niet voor altijd lesschen
{<izal wederom dorsten^, vers 13): (6) men
kan het niet altijd hebben (zie vers 14 —
«in hem»). Maar het water, dat i^y geeft
— (a) indien men het eens gedronken
heeft, zal men nooit weder dorsten (?>) zelfs
dan is het altijd binnen het bereik («in
hem»), om verkwikking en genot te geven
{Zie Aant. 5).
Wat bedoelde Jezus? Zie Joh. VH :
37—39, _ de Heilige Geest en alles
wat Hij met zich brengt — geloof in
Christus, heiligmaking, vrede, vertroosting,
geluk — alle geestelijke zegeningen —
zaligheid.
Laat ons zien, wat Hij van dit «water»,
deze «gave Gods», deze zegeningen der
zaligmaking zegt.
(а) in eeuwigheid niet dorsten».
Is er iemand volmaakt tevreden? Begeert
niet iedereen nog altijd iets, wat hij niet
heeft? Een weinig meer geld, een weinig
meer vreugde — dan zal het genoeg zijn,
dan zal hij gelukkig wezen — maar is
het zoo? — Hij zou dat nog willen
hebben — en dan weêr dat — nooit
voldaan. Wat gij heeft moge goed wezen,
even als het water van Jakob, maar «^y
zult wederom dorsten», Jes. LV : 2; en wat
zeide Salomo «in al zijne heerlijkheid»? Zie
Pred. II. Maar wat hebben diegenen gezegd,
welke het «levende water» Gods gedronken
hebben? b.v. David, Ps. IV: 8, 9; Paulus,
2 Cor. VI : 10.
(б) aln Hem eene fontein van water».
Kunnen wij altijd de aardsche dingen ver-
krijgen, waarnaar wij verlangen? Vraag
den Verloren Zoon, Luk. XV : 13—17.
Maar Gods «levend water» is altijd te
bekomen, wanneer wij het vragen, Jes.
XLI : 17, 18; LV : 1.
Verstaat zij dit? vers 15 — niet geheel;
toch maakt het een grooten indruk op
haar — zij gevoelt, dat Jezus de eene of
andere rijke zegening kan geven — zij
vraagt er naar {zie Aant. 5). Maar zij
vermoedt niet, dat Hij haar, in Zijne vol-
gende woorden, dit «water» geeft, zooals
Hij zeide (vers 10) dat Hij doen zoude.
Op welke wijze?