Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVII. IN SAMARIË.
i i
gaande te maken, is het misschien noodig, met een beschrijving van de
uitwendige dingen te beginnen; maar grootere kinderen stellen dikwijls veel
meer belang in den loop van het gesprek, in de opvolging van vragen en
antwoorden, dan in de uitwendige bijomstandigheden; deze laatste kennen zij
(of zij denken dat zij ze kennen), terwijl het eerste zoo goed als zeker nieuw
is. In elk geval moet de onderwijzer trachten zijne Les zóó in te richten, dat
na eiken zin, na elke vraag, die er in behandeld is, de kinderen verlangen
naar hetgeen volgen zal.
In geen enkel hoofdstuk in de Evangeliën leeren wij Christus zoo goed als
leeraar kennen: den geest, waarin Hij werkte — zijne grondstelhngen en methode
van werken — vooral de menschelijke zijde (indien dit woord gebruikt mag
worden) van Zijn werk, nl. Zijn geduld en onvermoeide werkzaamheid, de
middelen, die Hij gebruikte (gelijkenissen, enz.), Zijne vreugde over een goeden
uitslag. Ofschoon men hiervan op de Zondagschool weinig te pas kan brengen
en de schets er ook niet lang bij stilstaat, kan de hoofdgedachte duidelijk
worden gemaakt door hei beeld van den Zaaier en de Maaiers, hetwelk (zooals
men zal opmerken) aan des Heeren eigen woorden in dit hoofdstuk ontleend
is. Kinderen moeten de ware Godheid van Jezus niet vergeten; maar tegelijker-
tijd is het van belang hun te leeren, dat wanneer Hij smarten leed of
hard werkte — b. v. wanneer Hij, zooals hier, over honger en dorst zege-
vierde — Hij dit werkelijk als mensch deed, en op dezelfde wijze als wij
het kunnen en moeten doen; ofschoon natuurlijk alles wat Hij deed volmaakt,
alles wat wij doen onvolmaakt is.
Schets van de Les.
a. Jezus* Leer.
Jezus, door de oversten in de hoofdstad
verworpen, keert zich nu tot het landvolk,
hoofdst. 111:22; Hij gaat naar den Jordaan,
predikt even als Johannes; maar wie doopte
de menigte volks (Hl : 26, IV : l), die
tot Hem kwam (IV : 2)? Langzamerhand
dringt het gerucht door tot Jeruzalem
(IV : 1> — de oversten vinden het een
ernstig geval — er moet een eind aan
gemaakt worden. Wat doet Jezus? Zijne
«ure is nog niet gekomen» (verg. H : 4),
om den strijd met hen aan te gaan —
eerst moet er gearbeid worden in Galilea —
daarheen begeeft Hij zich {Zie Aant. 1).
(Lees vers 1—4).
Welken weg zal Hij gaan? Langs de
oevers van den Jordaan, of over de heuvelen
van Samarië {Zie Aant. 2)? Heden zullen
wij zien, waarom Hij dezen laatsten weg
«moest» gaan.
I. Het aardsche water geweigerd.
Stel u twee schoone, hooge heuvelen
voor (dezelfde waar de Wet in de dagen
van Jozua (Joz. VIII: 30—35) op plechtige
wijze werd voorgelezen) -- een vallei
tusschenbeide — een oude stad in de
vallei — hoe heette deze?—hoe vroeger
{Zie Aanhangsel //)? Aan den ingang der
vallei een put — een zeer oude — wie
groef dien? Die put is daar nog.
Het is middag — de zon geeft veel
hitte. Een gezelschap vermoeide reizigers
komt aan — een van hen is te uitgeput
om verder te gaan — zit neder bij den put
om uit te rusten, terwei de anderen voedsel