Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVI. HET GESPREK WET NICODEMUS.
69
derving zien», alngaan» in vers 5 be-
teekent inderdaad niets anders, rnaar is een
sterkere uitdrukking. Over de beteekenis
van liet «koninkrijk» zie Les X, Aant. 6.
3. « Uit water en Geest geboren». Ten
opzichte van deze woorden is men twee
meenigen toegedaan:
(1) dat zij rechtstreeks naar den Christe-
lijken doop verwijzen, en uitdrukken, dat
de «wedergeboorte», welke tot het «ko-
ninkrijk Gods» toegang verschaft, zoowel
de zichtbare plechtigheid als de onzichtbare
genade in zich bevat;
(2) dat zij in het geheel geen betrekking
hebben op den Doop, dat de uitdrukking
slechts de uitwerking van den Geest onder
het beeld van water beschrijft, evenals
die andere woorden «met den Heiligen
Geest en met vuur» haar onder het beeld
van vuur beschrijven.
De tegenwerpingen tegen de eerste
meening zijn: (1) dat, toen de Christelijke
Doop nog niet ingesteld was, de Heer er
denkelijk niet op zulk een raadselachtige
wijze tegen Nicodemus van gesproken zal
hebben; (2) dat er theologisch, niet genoeg
gronden aanwezig zijn, om het sacrament
van den doop, hoe belangrijk het ook zij,
onontbeerlijk te achten voor de zaligheid.
Tegen de laatste meening voert men
aan, (1) dat de verschillende volgorde van
de woorden in de twee uitdrukkingen (in
het Grieksch) maakt, dat zij niet als parallel
beschouwd kunnen worden; (3) dat men
afbreuk doet aan de waarde van den
Doop, met welken (om het minste te zeggen)
de wedergeboorte zoo nauw verbonden is,
wanneer men aanneemt, dat Christus er
in Zijne woorden niet op doelt.
Het is waarschijnlijk, dat de geheele
waarheid bij geen van beide is. De beste
wijze om de ware beteekenis der woorden
na te gaan, is te vragen — wat konden
zij beteekenen op dat tijdstip, door Jezus
van Nazareth tot een Joodschen Rabbijn
gesproken zijnde?
Het antwoord op deze vraag kan niet
twijfelachtig zijn. Om niet te spreken van
de Rabbijnsche gebruiken bij den doop
(zie vroeger, Aant, 2\ herinnere men zich,
dat drie maanden van'te voren het geheele
land in opgewondenheid had verkeerd
wegens de prediking en den doop van
Johannes. Waarschijnlijk had Nicodemus
zich, evenals de andere oversten der Joden,
buiten dezen doop gehouden (Zie Luk.
VU: 30). De woorden van den Heer zullen
hem dus geleerd hebben, dat/nj ook moest
doen, wat de «tollenaren en zondaren« ge-
daan hadden, nl. moedig voorwaarts treden
en openlijk belijdenis doen van zijne be-
hoefte aan vernieuwing en zich onder-
werpen aan de plechtigheid, waarmede
hij afstand moest doen van zijn geheele
vroegere leven. En voorts, dat, naardien
Johannes had gesproken van een hoogeren
geestelijken doop, welke bij de komst van
den Messias ingesteld zou worden, de uit-
wendige plechtigheid nutteloos zou zijn
zonder een inwendige verandering van het
hart; terwijl, aan den anderen kant, hij,
die werkelijk de inwendige verandering
verlangde, niet terug moest deinzen voor
het uitwendige zinnebeeld. Dat het «uit
den Geest geboren» zijn, het wezenlijke
vereischte is, wordt aangetoond door de
herhaling van deze woorden, zonder de
andere, in vers 6 en 8.
Men moet zich daarbij herinneren, dat
Christus bezig was ook in zichtbaren vorm
Zijn Koninkrijk te stichten, namelijk de
zichtbare Kerk, en dat Hij dientengevolge
het uitdrukkelijk bevel gaf, dat zij, die
tot de Kerk toegelaten werden {^discipelen
gemaakt werden van», zie het Grieksch
van Matth. XXVHI:19), gedoopt moesten
worden. In overeenstemming met de ge-
heele analogie der Schrift, hebben wij dus
eene (tweevoudige) uitwendige uitdrukking
voor een (tweevoudig) inwendig feit. De
doop met water, die den toegang geeft
tot de zichtbare Kerk, is het teeken en
zinnebeeld van den doop met den Geest —
de nieuwe gezindheid — die den toegang
tot de onzichtbare Kerk geeft. Evenzoo
onder de oude bedeeling: de besnijdenis
gaf recht op de voorrechten van een
Israeliet; maar daar allen niet Israel zijn,
die uit Israel zijn, was de ware «be-
snijdenis des harten» noodig voor de aan-
neming als Gods geestelijke kinderen.
De schoonheid van het beeld in vers
8, wordt no^ verhoogd door het feit dat
er in het Grieksch één woord is voor
«wind» en «Geest» {ttvsvizoc). Het woord
door «blaast» weérgegeven is het daarvan
afgeleide werkwoord, zoodat in het Hol-
landsch dit gedeelte zou luiden: «de adem
ademt». Er wordt een zachte koelte be-
doeld (zie de Schets), daar er in de Schrift
een ander woord voor een hevigen wind
wordt gebruikt.