Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
XVI. HET GESPREK MET NICODEMÜS.
God» en «Zoon des menschen» dezelfde —
deze eenvoudige Nazarener, in deze nederige
woning, maakt aanspraak op den naam
van Gods Eeniggeboren Zoon! — het geloof
in Hem moet de zondaars zalig maken!
Maar hoe zou de Zoon des menschen
de menschen zalig maken'? Wat Mozes
met de koperen slang deed, moest met
Hem gedaan worden — «verhoogd» {Zie
Aant. 5). Nicodemus wist watdelsraelieten,
die gebeten waren, doen moesten; zoo
moest hij zonder te twijfelen, geloovig op
een «verhoogden» Messias zien — op Eenen,
die als boosdoener gekruisigd werd. Hoe
vreemd! hij kon het nu nog niet in zich
opnemen — maar toen Jezus «verhoogd»
xoas, wat deed toen Nicodemus! — Joh.
XIX : 39 — hij kwam moedig voor den
dag, na drie jaren van aarzeling; op
hetzelfde tijdstip, dat de Apostelen Jezus
hadden verlaten, beleed hij, een van Zijne
discipelen te zijn.
Indien hij dat niet gedaan had, wat
ware dan met hem geschied'? vers 18.
Maar u'at heeft hij nu^ vers 15.
Hebt gij het nieuwe leven? Zijt
gij «wedergeboren»? Gij hebt een teeken»
het «uitwendige en zichtbare bewijs»
gehad — wanneer? Maar hebt gij de
«inwendige en geestelijke genade», den
Heiligen Geest, in uw hart? Zonder dezen
zult gij «het koninkrijk» niet «zien», het
«eeuwige leven» niet «hebben».
Hoe kunnen wij weten of wij het nieuwe
\e\etï hebben? Wat zeiden wij van vei-s 8?
Hoe komt het, dat wij, arme zondaars,
zulk een gave deelachtig kunnen worden?
Omdat de Vader liefhad, de Zoon op aarde
kwam, de Geest werkt.
Aanteekeningen.
1. Dat Nicodemus uit vrees des nachts
tot Jezus kwam, schijnt door Joh. VH : 50,
XIX : 39 aangeduid te worden. Maar in
plaats van hem daarom te laken, moeten
wij hem veel eerder prijzen, wanneer wij
nagaan, dat hij de eenige was, die kwam.
De woorden «een leeraar» in vers 10,
zijn in het oorspronkelijke «de leeraar»
en wijzen blijkbaar op de uitnemendheid
van Nicodemus als leeraar.
Het is niet waarschijnlijk, dat de woorden
«wij weten» slechts een rhetorische spraak-
wending waren, om het zeggen van «Ik»
te vermijden. Denkelijk waren er anderen
onder de oversten van Israël, die hetzelfde
gevoelden als Nicodemus, b. v. Jozef van
Arimathea, en zie Joh. XII : 42.
2. Vers 3. — «Tenzij dat iemand», enz.
Het onverwachte van Jezus' antwoord moet
Nicodemus verrast en ontsteld hebben,
hetgeen ook uit zijne vraag, vers 4, blijkt.
Hij kon niet geheel blind zijn voor de
bedoeling van den Heer. daar de Joden
toch vertrouwd waren met het denkbeeld
van wedergeboorte, in betrekking tot den
doop van proselieten. De uitdrukking,
waarvan in de schets sprake is, wordt
door Lightfoot vermeld, die eenige eigen-
aardige bijzonderheden vermeldt over de
Rabbijnsche gewoonten bij den doop. Maar
Nicodemus had nooit gedacht, dat een
Israeliet «wedergeborene moest worden,
en waarschijnlijk was het zijne verlegen-
heid hierover, gepaard met een weinig
ergernis, omdat Christus zoo duidelijk Zijne
woorden op hem zelf toepaste, die hem
een antwoord ontlokten, dat eenvoudig geen
zin schijnt te hebben.
Eenigen vertalen «wederom geboren»
met «van boven geboren»; maar de juiste
beteekenis is «op nieuw geboren», en
blijkbaar verstond Nicodemus het op deze
wijze. Alford zegt, dat het antwoord van
Christus gelijk staat met «Geen (feleerd-
heid, maar leven is noodig voor het
koninkrijk van een Messias, en het leven
moet beginnen bij de geboortet; hij
haalt de volgende woorden van Luther
aan: «Mijne leer betreft niet het doen en
ongedaan laten, maar eene verandering
van den mensch; geen nieuwe werken,
maar een nieuwen mensch om ze ie doen,
niet alleen een ander leven, maar een
andere geboorte».
«Het koninkrijk Gods zien,» d. i. er deet
aan hébben, vei*g. Ps. XVI : 10 — *ver-