Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
67 XVI. HET GESPREK MET NICODEMÜS.

xeideu en een nieuw leven begonnen. En
wat had hij gezegd? Lees Luk. III: 16. De
verwachte Messias zou ook doopen —
maar hoe? — niet uitwendig, maar in-
wendig — de Heilige Geest moest het
hart reinigen. Nicodemus heeft dus twee
dingen van noode (verg. Kom. X : 10):
{a) Moedig voorwaarts te treden, te erken-
nen dat hij een zondaar is, den tollenaars
geUjk te zijn, zich te onderwerpen aan het
teeken, dat aanduidt hoe zijn geheele
vroegere leven (hoe nauwgezet dit ook
was) weggewasschen moet worden, opdat
hij van voren afaan beginne, (b) Den
Messias té vragen om hetgeen Hij alleen
kan geven, den Geest — al het overige
is nutteloos zonder dat, ook het beginnen
van een nieuw leven, want het zou even
slecht worden als het eerste — Hij moet
den Heiligen Geest in zijn hart hebben.
(2) Vanwaar het komt.^ vers 0. Nico-
demus had de oplossing willen vinden van
een lichamelijke wedergeboorte, vers 4.
Maar al ware dit mogelijk, wat nut? De
zonde gaat over van den vader op den zoon
■{ahetgeen uit het vleesch geboren is, dat
is vleesch))). Al werden wij weder een
pasgeboren kind, wij zouden toch zondig
zijn. Dus wanneer het hart, het gevoel,
de begeerten, de wil, het leven nieuw
moeten zijn, dan kan dit niet anders dan
uit God zijn — nuit den Geest géboren».
Verg. Joh. I : 13; Rom. VHI : 5—9;
1 Petr. I : 23.
(3) Hoe men het zien kan, vers 8.
Stel u voor, dat gij op een schoonen dag
in het bosch zijt; geen blad beweegt, alles
is stil; gij hoort een geruisch boven u —
wat is het?, er komt beweging in de
bladeren — waarom ? — een zachte koelte
{zie Aant. 4) — zoo zacht, dat gij niet
kunt zeggen of zij van 't noorden komt,
of van 't zuiden enz.; maar gij weet, dat
het de ivind is. Evenzoo, wanneer gij
ziet, dat een mensch (of kind), die zich
niet om God bekommerde, begint te
spreken, te handelen, alsof hij zich wel om
God bekommert — evenals iemand bij het
ontwaken uit den slaap zich een weinig
beweegt — weet dan, dat het de Heilige
Geest is, die in hem werkt; gij kunt
Hem niet zien, maar wel zien en hooren
wat Hij doet. Zie Gal. V: 22, 23; 1 Joh.
H : 29, III : 9, 14, V : 1, 4, 48.
{Lees vers 9, 10). Had Nicodemus dit
moeten weten? (a) Hij had het woord
«wedergeboorte» kunnen verstaan, want
wanneer de Joden een Heiden doopten,
die in den waren God geloofde (zie Aant.
2), noemden zij hem «een pasgeboren
kind», (b) Ilij had uit de Schriften, die
hij zoo goed kende, moeten weten, dat
een uitwendige verandering niet genoeg
is. dat het een geestelijke verandering
moet zijn; zie Ps. LI : 8, 12, 19; Jes.
1 : 10—17; Jer. IV : 14; Ezech. XI : 19,
XVm : 31, XXXVI : 25—27.
Maar indien dit nieuwe leven verkregen
moet worden — als er buiten dat geen
redding is — hoe zal Nicodemus het dan
verkrijgen (vers 9 — «Aoe?»)? Derhalve
zegt Jezus hem, —
m. Hoe dit kan geschieden —
door in den Zoon des menschen te ge-
looven.
Wij kunnen in onze Les niet over al
hetgeen Jezus gezegd heeft, spreken. —
(Lees vers 14-16). {Zie Aant. 5).
Wanneer allen veranderd moeten worden,
allen zondaars zijn, dan verdienen ook allen
te «verderven»; ja, zelfs Nicodemus!
Maar — wat? vers 16 — «Godheeft
de wereld lief gehad ) — ja, allen
evenzeer — de Joden even zondig als de
Heidenen, en God had de Heidenen' even
lief als de Joden. Hoe kunnen zij dan van
het verderf gered worden? n Heeft gegeven»
wien? wie is dat? zie vers 14, «Zoon van