Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
65 XVI. HET GESPREK MET NICODEMÜS.
artikelen eener geloofsbelijdenis, — is de Les geheel over Nicodemus, en de
leerstellingen van den Heer worden beschouwd als tot hem gesproken. Het
voordeel hiervan is drievoudig: (1) eene bijbelplaats, bekend om hare moeilijk-
heden, wordt betrekkelijk gemakkelijk; (2) een onderwerp, dat door vele
onderwijzers «droog» wordt gevonden, krijgt het boeiende van een verhaal;
(3) ^e menigvuldige uitleggingen en geschillen over vers 5 (zie Aant. 3)
worden op gelukkige wijze vermeden.
Tegelijkertijd gelooven wij, dat de belangrijke leeringen over Wedei'geboorte
en Verzoening in dit hoofdstuk, niet verliezen, maar eerder winnen zullen
aan wijding en kracht door deze wijze van behandelen. De kinderen zullen
meer belang stellen in hare toepassing op Nicodemus, en eerder en (om zoo
te zeggen) meer ongemerkt overgaan tot de toepassing op zich zelf, zooals die
daaruit volgen moet, dan wanneer de onderwijzer moest spreken als de over-
brenger van een rechtstreeksche boodschap van Christus aan hun eigen ziel.
Daar het onmogelijk is het geheel in bijzonderheden te behandelen, houdt
de Les zich hoofdzakelijk met de eerste acht verzen bezig: vers 14—46 vormen,
om hun uitnemende belangrijkheid, het onderwerp van de derde afdeeling, en
het overige wordt óf eenvoudig weggelaten, óf slechts even aangestipt. Het is
raadzaam voor den onderwijzer om deze wijze te volgen, tenzij hij er kans toe
zie om met vlugge en verstandige leerlingen het geheel te behandelen. In dit
geval kan hij gebruik maken van Aant. 5 en 6.
Het is niet gemakkelijk , aan jongere kinderen het gewicht van een ver-
andering van hart te doen gevoelen, want — wat zij ook hebben geleerd na
te zeggen — zij maken er zich geen begrip van, dat zij zondig van aard zijn.
Misschien kan men dit het best op de volgende, of een soortgelijke wijze toe-
lichten: — Even als het jong van een tijger, ofschoon het onschadelijk is,
een woesten aard in zich heeft, die zich spoedig zal ontwikkelen, zoo is het
met u en de zonde — bid dan nu om een nieuw hart — de verandering zal
moeilijker zijn naarmate gij ouder wordt. Dezelfde Les wordt ons geleerd door
de welbekende anekdote van den grooten schilder, die naar het leven een
schilderij vervaardigde van een lieftallig, vroolijk kind, en het Onschuld noemde,
en vele jaren daarna wederom een schilderstuk naar het leven vervaardigde
van een veroordeeld misdadiger, en het Schuld noemde. Het bleek naderhand,
dat de boosdoener niemand anders was dan het eens zoo vroolijke kind, dat
tot zulk een slecht mensch was opgegroeid.
Nog meer beelden voor de noodzakelijkheid van een inwendige en geestelijke
verandering: — Het hart is de drijfveer voor de daad, evenals in een hor-
loge de veer het raderwerk doet gaan. — Het is vergeefsche moeite,
onkruid af te snijden; het moet met wortel en al uitgetrokken worden. —
Een wassen beeld kan er uitzien als een mensch, en door een uurwerk kan
het in beweging worden gebracht, maar het leeft niet; zoo gaat het met een
uitwendig godsdienstig mensch, zonder den Geest.