Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
63 XV. HET EERSTE WONDER.

einde maken — aan de zonde (zie Joh.
XVII : 15; 1 Cor. VU : 31; Jak. I : 27.
Geen wonder, dat zij, die gelukkig zijn in
de zonde, Hem niet van noode hebben —
zijt gij dit? Maar maakt de zonde waarlijk
aangename dingen aangenamer? Juist het
tegenovergestelde (b.v. hoeveel keer wordt
het genoegen van een dag bedorven, omdat
de één zelfzuchtig, een ander lichtgeraakt is!)
Hoe zullen wij gelukkiger zijn doordat
Hij bij ons is? Op dezelfde wijze als te
Kana:
(a) Hij zal ons «water» in «wijn»
veranderen — onze gewoonste dingen in
rijke zegeningen — onze alledaagsche.
nederige taak in een weg, die ons dagelijks
nader brengt tot God. Zelfs zorgen en
moeilijkheden; zie Neh. XIH : 2; Ps. XXX :
12; Jes. LXI : 3; Rom. V : 3.
(b) Wat Hij geeft zal Hij onbekrompen
geven — «meer dan overvloediglijk, boven
al wat wij bidden of denken». Ef. 111:20;
Phil. IV : 19.
(c) Hij zal ons het beste geven — Zijn
«goeden wijn» aan het einde geven (Zie
Aant. 6). Zie Luk. XVHI: 30; 1 Joh. III: 2;
1 Cor. n : 9; Ps. XXXI : 20. Eerst het
kruis, dan de kroon. uNiet gelijkerwijs
de wereld geeft, geef ik C/», Joh. XIV: 27.
Aanteekeningen.
1. Men heeft veel getwist over de ligging
van Kana. Twee dorpen in het tegenwoor-
dige Palastina maken er aanspraak op,
voor het oude Kana door te gaan:
Keir Keuna, op 47-2 mijl ten noordoosten
van Nazareth, en Kana-el-Jalil, 9 mijlen
ten noorden. Het eerstgenoemde geeft,
volgens de overlevering, de ware ligging
aan; het laatste werd door Dr. Robinson
ontdekt, en de meeste nieuwere schrijvers
nemen aan dat dit het echte is; maar in
het Verslag van de ^Vereeniging tot het
onderzoeken van Palestina» van October
1869 komt de predikant J. Zeiler van
Nazareth zeer stellig op voor Keir Keuna.
2. Toespelingen op bruiloftsfeesten kun-
nen gevonden worden in Gen. XXIX: 22;
Hichi. XIV : 12; Matth. XXII : 1—10;
Luk. XIV : 8. De feestelijkheden duurden
dikwijls van zeven tot veertien dagen. Op
geen andere plaats in de Schrift wordt
melding gemaakt van den «hofmeester»,
maar eenige voorschriften voor zulk een
beambte komen voor in Jezus Sirach XXXII.
Bij de Grieken en de Romeinen was hij
gewoonlijk een vriend van den gastheer,
die door het lot gekozen werd, alleen met
het doel om de orde te bewaren en de
keuze der wijnen te doen.
Waarschijnlijk was het de trouwplechtig-
heid van een van Maria^s bloedverwanten,
daar zij blijkbaar tot de knechten spreekt
als iemand, die het recht had hun bevelen
te geven.
De uitooodiging aan den Heer en Zijne
discipelen werd waarschijnlijk op het laatste
oogenblik gedaan, daar Hij verscheidene
maanden afwezig was geweest en zij na-
tuurlijk niet verwacht werden. Nathanael
was, als een inwoner van Kana, zeker
goed bekend bij het gezelschap, en het
feit, dat hij den nieuwen Leeraar gevolgd
was, was natuurlijk eene zaak van groot
belang voor hen.
3. « Vrouw, ivat heb ik met u te doen?»
Dat het woord «vrouw» niet van gestreng-
heid of oneerbiedigheid getuigde, blijkt
uit het feit, dat de Heer het ook bezigde
in Zijn laatste toespraak tot Maria, aan
het kruis, Joh. XIX : 26. Zie ook Matth.
XV : 28; Joh. XX: 15. Maar de woorden
«Wat heb ik met u te doen», waarmede
hij Zijne onafhankelijkheid te kennen geeft,
bevatten eene duidelijke terechtwijzing.
Letterlijk zijn zij «Wat voor mij en u? —
d. i. Wat is er, dat Mij en u samen
aangaat? — Wat hebben wij gemeen?
Het zijn dezelfde woorden, welke de
booze geesten tot onzen Heer spreken;
zie ook Joz. XXH : 24; Richt. XI : 12;
2 Sam. XVI: 10. XIX : 22; 1 Kon. XVH : 18;
2 Kon. III : 13. Zij zijn een herinnering,
dat Christus nu niet langer door de banden
des bloeds kon gebonden worden; en
Maria behoefde de terechtwijzing, want,
zooals Chrysostomus zegt: «Zij oordeelde,
dat zij even als andere moeders, in alle
dingen Hem kon bevelen, dien het haar