Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XIV. DE EERSTE DISCIPELEN.
59
sehe wijze van rekenen, welke hier waar-
schijnlijk bedoeld wordt, zou dit overeen-
konnen met *s namiddags vier uur bij ons.
Sommigen vooronderstellen, dat de nieuwe
wijze van rekenen bij de Romeinen in
zwang was, en dat Johannes, na den onder-
gang van Jeruzalem schrijvende, deze aan-
neemt (zoodat het dan tien uur's morgens
zou wezen) en zij verwijzen ook naar Hoofdst.
IV : 6, 52, XL\:14. Anderen zijn juist vati
oordeel, dat deze plaatsen het algemeene
gevoelen bevestigen.
3. Cephas is het Arameesch (het He-
breeuwsch, dat toen in Palestina gesproken
werd) — Petrus, het Grieksch voor «steen-
rots».
4. Philippus schijnt een type geweest
te zijn van diegenen, welke het Evangelie
in allen eenvoud gelooven, zonder in den
war gebracht te worden door de bezwaren,
waarmede anderen te strijden hebben; en
zelfs dan wanneer deze voor hen worden
opgeworpen, brengen zij hun geloof niet
aan het wankelen, al kunnen zij ze zelf
ook niet nit den weg ruimen. Zij zeggen
tot een ieder, die tegenwerpingen maakt,
evenals Philippus tot Nalhanaël: «Kom
en zie».
5. Men veronderstelt algemeen, dat
Nathanael dezelfde was als de apostel
Bartholomeüs, op de volgende gronden:
(1) In drie van de vier opgaven der twaal-
ven wordt Bartholomeüs met Philippus,
die Nathanael tot Jezus bracht, te zamen
genaamd. (2) Bartholomeüs \\ordt nooit
door Johannes, Nathanael nooit door de
andere evangelisten vermeld. (3) Nathanael
komt na de opstanding, als een metgezel
van de apostelen voor.
Bartholomeüs beteekent «zoon van Tho-
lomeus» en waarschijnlijk was het dus
niet de naam van één bepaald persoon.
Nathanael beteekent «gave van God» en
is dus dezelfde naam als ons «Theodoor».
6. «In wien geen bedrog is» betee-
teekent natuurlijk niet zonder zonde, maar
dat Nathanael^ karakter oprecht, open,
zonder veinzerij was. Niets kan dit beter
aan 't licht brengen dan zijne eenvoudige
vraag: «Van waar kent gij mij?» terwijl
hij zich er geheel onbewust van was, dat
hij inderdaad zich zeiven pree®.
7. De belijdenis van Nathanael v as zeer
merkwaardig en dient met die van Petrus,
Matth. XVI : 16, van Martha, Joh. XI: 27.
en van Thomas, Joh. XX : 28, die veel
later gedaan werden, vergeleken te wor-
den. Dat de «Koning van Israël», die
komen zou, de Zoon van God zou zijn,
kon hij leeren uit Ps. II, en toch zien
wij uit Joh. V :18,X:30—39, hoe weinig
dit door de Joden verstaan werd.
8. «Voorwaar, vofirwaar». — Hoe oor-
spronkelijke is «Amen, Amen». Deze
herhaling van het woord komt alleen voor
in die redenen van den Heer, welke
Johannes weérgeeft. Zij is altijd de inleiding
tot een hoogst ernstige, gewichtige uit-
spraak en met het volste recht wordt zij
gebruikt door Hem, die de «Amen» is,
Openb. 111 : 14.
9. «Van nu af aan zult gij den hemel zien
geopend» enz. De meeste schriftuitleggers
zien in deze woorden een verwijzing naar
de ladder Jacobs en geven er een geeste-
lijke beteekenis aan, waarmede zij bedoelen,
dat Christus de ware ladder tusschen
hemel en aarde is, want Zijne godheid
verbindt Hem met den hemel. Zijne mensch-
heid met de aarde; en alleen doormiddel
van, of «op» deze ladder kunnen de engelen
nederdalen en opklimmen in hunne dienst-
betooningen (Heb. I : 14) tusschen een
heilig God en zondige menschen.
De volgende treilende verklaring wordt
door G. Warrington gegeven: — .Takobs
droom werd hem gegeven op een tijdstip,
dat zijn bestaan als het uitverkoren «zaad»
zeer twijfelachtig, de vervulling van Gods
belofte zeer onwaarschijnlijk was. Hij
was een balling, gehaat en bedreigd door
zijn broeder. De droom was hem een
teeken van Gods zorg voor hem en van
de zekerheid der belofte. De hemelsche
heirlegers waren aan zijne zijde: Wat
behoefte hij te vreezen voor den tegen-
stand der menschen? Jezus was juist erkend
geworden als de Messias, de beloofde
Koning, het Hoofd van het ware Israël.
Maar Zijne broederen naar het vleesch
zouden Hem, over het algemeen genomen,
verwerpen en Hem zoeken te dooden.
Zou het geloof der dicipelen hiertegen
opgewassen zijn? Denzelfden troost, den-
zelfden steun, dien Jakob gehad had, zou-
den zij ook hebben. Zij zouden een zichtbaar
bewijs hebben, dat de hemel aan Zijne
i zijde was, zelf< wanneer de zaken op het
I slechtst stonden. Elk wonder, elke stem uit
den hemel, elk gezicht van engelen zou
als een teeken van deze belofte komen;
de hemel was voor hen «geopend» en