Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
XIV. DE EERSTE DISCIPELEN. 58
zijn karakter hoort beschrijven, vers 48;
(2) wanneer hij bemerkt, dat het oog van
een vreemdeling zijn bewegingen heeft
gadegeslagen, vers 49 (verg. Joh. iV : 17,
18, V:14). Hij gevoelt hetzelfde wat David
gevoelde, Ps. CXXXIX : 1—3; zijn geheele
hart is in aanbidding neêrgebogen; hij,
die «waarlijk een Israelietn is, • erkent
dezen Nazarener als de Goddelijke Koning
van Israël; hij werd geroepen om den
«Zoon van Jozef» te zien, en aanschouwt
den «Zoon van God».
Zie, hoe Jezus het geloof van dezen
oprechten Israeliet beloont, vers 52 —
wonderbare belofte! Zijn aartsvader (de
man, dien God «Israël» noemde) had een
gezicht — welk? Maar hij zal de ware
«ladder», de ware «weg» zien, waardoor
hij in den hemel kan komen, en die
«weg» is een mensch (let op de uitdruk-
king (iZoon des menschen dezelfde, dien
Hij juist als den Zoon Gods erkend heeft
{Zie Aant. 7, 9, 10).
Dit waren de eerste discipelen,
de eerste leden van de Christelijke Kerk.
Welk een klein begin! {Verwijs tiaar het
voorbeeld van de rivier). Denk er aan
hoe uitgebreid de Kerk nu is geworden.
En zij breidt zich nog uit — tot in de
verste landen zetten zendelingen het werk
voort, dat de Heer Jezus aan den Jordaan
begonnen heeft.
Tot deze Kerk behooren wij, wij zijn
geboren in een Christenland — door den
doop aan Christus toegewijd. Maar even
als er Israelieten in naam slechts, en
dwaarlijk Israelietem waren, evenzoo zijn
allen, die tot de kerk behooren, nog geen
ware discipelen.
Zijn wij ware discipelen van
Christus? Laat ons zien of wij gelijken
op hen, van wie wij juist gelezen hebben.
Komen wij, evenals Johannes en Andreas,
tot het «Lam Gods»? Trachten wij, even-
als Simon, steenen te zijn in het groote
gebouw der Kerk? (Wie kan ons zoo
maken? Ef. H : 22). Gehoorzamen wij,
evenals Philippus, aan de roepstem van
Christus? Beproeven wij, evenals Andreas
en Philippus, anderen tot Christus te
brengen? (In de eerste plaats onze huis-
genooten; het verdere leven van Petrus
toont aan wat eens broeders woord ver-
mag). Erkennen wij, evenals Nathanael,
Christus als onzen Koning.
Denk er aan, dat Christus ons kent—
het ware antwoord op deze vragen weet.
Hij, die in het hart van Petrus en Natha-
nael las, kent ook onze harten. Zie Matth.
IX : 4, XII : 25; Luk. VI : 8; Joh. H: 24,
25; Openb. II : 23. (Voorbeeld: — een
Fransch generaal zit gevangen in een
kerker — in 'den muur is een kleine
opening — een schildwacht slaat hem
gedurig gade. De gedachte aan dat oog,
dat altijd op hem gevestigd is, kwelt
hem meer dan eenige andere smart).
Wat ziet Hij in ons? «Geen — bedrog?»
{Zie Aant. 6). Hiernaar ziet Hij, Ps. LI: 8,
verg. Ps. XXXII : 2; 1 Petr. 11:1.
Kunnen wij dezelfde getuigenis geven als
Petrus, Joh. XXI : 17?
Aanteekeningen.
1. Het is zoo goed als zeker, dat degene,
die met Andreas den Heer volgde. Johannes
de Evangelist zelf was, daar hij zich zelf
in het geheele Evangelie nooit bij name
noemt, maar altijd uitdrukkingen bezigt
als cdie andere discipel» enz. Van hoofdst.
I : 19 tol II : 11 vinden wij de gebeur-
tenissen van (klaarblijkelijk) zeven achter-
eenvolgende dagen als in een dagboek
verhaald. Voor Johannes moeten dit gedenk-
waardige dagen geweest zijn; en meteen
herinneringsvermogen, dat door den Hei-
ligen Geest werd verlevendigd, kon hij
meer dan veertig jaar later de juiste uren
en de juiste woorden néerschrijven.
2. <iDe tiende ure». Volgens de Jood-