Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XIV. DE EERSTE DISCIPELEN.
57
Kerk van Christus is hieraan gelijk —
duizende mensclien op de geheele wereld
komen eiken Zondag God aanbidden —
kunt gij ze tellen? Maar ga nu eens zien
ivaar de rivier begint — een kleine op-
borrelende bron — welk een wonderbare
gedachte, dat deze de groote rivier wordt.
Kunnen wij tot het begin der Kerk op-
klimmen'-? Laat ons dit heden zien —
zien wij de eerste vijf leden.
1. Johannes en Andreas {Lees vers
35—40). Verleden Zondag hebben wij gezien,
hoe twee Galileesche visschers op Jezus
gewezen werden. Wie waren zij? {Zie
Aant. 1). Wat zeide de Dooper hun van
den Heer? Volgen wij hen, terwijl zij
met haastig verlangen tot den Heer gaan.
Hoe vriendelijk spreekt Hij tot hen! Waar-
om willen zij mot Hem mede gaan naar
Zijn huis? Zouden eenige weinige minuten
hun genoeg zijn? Zij zijn zondaren, die
een Verlosser zoeken — zij branden van
verlangen om meer van hem te weten.
En dienzelfden avond {Zie Aant.'2) komen
zij tot de overtuiging, dat deze nederige
werkman uit Nazareth inderdaad de be-
loofde Koning is {Zie vers 41). Waardoor
worden zij overtuigd? Zijne gezegende
woorden zijn genoeg; zie Joh. VI : 68,
VII : 46.
2. Simon Petrus {Lees vers 41, 42).
Zij kunnen het blijde nieuws niet voor
zich zelf houden. {Verwijs naar de voor-
beelden in de vorige Les.) Indien gij
goed nieuws hadt, aan wie zoudt gij het
dan het eerst vertellen? Johannes en
Andreas hebben broeders — die van An-
dreas is vlak bij. Spoedig wordt hij ook
tot .lezus gebracht. Hoe is zijn naam?
Maar Jezus begroet hem met een nieuwen
naam — die echter nog niet dadelijk de
zijne zal wezen — «gij zult genaamd
worden» {verg. «gij zijt» in Matth. XVI:
I 18) — waarom niet? Simon is vol liefde
en ijver, maar onstandvastig, gemakkelijk
heen en weèr bewogen — dus niet gelijk
oen «rots». Maar hij zou standva-;tig
worden — met Jezus zijnde, zou hij worden
gelijk Jezus (zie Heb. XIH : 8; 1 Petr.
H : 4—6; 1 Cor. III : 11) en geschikt
zijn voor een «hoeksteen» (zie Ef. H: 20;
Gal. 11:9; Matth. XVI: 18) van de kerk,
die op dien dag gegrondvest werd.
3. Philippus. {Lees vers 44f, 45. Den
volgenden dag voegt zich een vierde dis-
cipel bij de anderen, niet uit eigen be-
weging (evenals Johannes en Andreas), niet
(evenals Simon) door zijn broeder daartoe
uitgenoodigd — hoe dan? Aarzelt hij,
den stillen Nazarener te «volgen 0? Wie
ontmoet hij nog meer, wanneer hij tot
Jezus komt? Zijn zij vreemdelingen voor
hem? vers 44.
4. Nathanael {Lees vers 46—52).
Philippus heeft een vriend — moet hem
tot Jezus brengen. Zonder twijfel hebben
deze twee dikwijls gesproken over de
beloften, «van welke Mozes in de wet
gesiihreven heeft en de profeten» (vers
46) — misschien denkt Nathanael daaraan
op het oogenblik, dat Philippus binnen-
treedt, Verrassende tijding; «Wij hebben
Hem gevonden!» Wien? Waar? Van
Nazareth"? Onmogelijk! Met hoeveel wijs-
heid antwoord Philippus! Hij wordt niet
toornig, hij wil niet tegenspreken, maar
wacht geduldig — spoedig zal Nathanael
het met hem eens zijn.
Jezus ziet den twijfelaar komen — is
niet toornig — weet, hoeveel Joden hunnen
naafn onwaardig zijn (zie Rom. IX : 6;
Openb. Hl : 9) — weet, dat deze man tot
het «Israel Gods» behoort (Gal. VI : 16;
Rom, 11:28, 29). Hij, die Simons stand-
vastigheid had voorspeld, getuigt nu van
Nathanaels oprechtheid.
Stel u Nathanaels verbazing voor —
waarover? (1) dat hij een vreemdeling