Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
53 XIII. DE GETUIGENIS VAN DEN DOOPER.

opzichte van die groote waarheden, welke den hoofdinhoud van Johannes'
getuigenis vormden, en van welke onze jongelieden zullen ondervinden, dat zij
overal tegengesproken worden.
Schets van de Les.
\Vij moeten nu lot Johaimes den Doo-
per teruggaan. Wij zagen, drie Zondagen j
geleden, hoe duidelijk hij a^ïn de Joden 1
zeide, dat hij niet de Koning was, dien
zij verwachtten, maar dat hij slechts ge- ;
zonilen was om den weg voor Hem te |
boreiJen. Laat ons zien wat hij zeide — i
zijne <<getuigenis» — aangaande dien
Koning.
((.Getuigenis» — wat is dat? (Maak ;
het duidelijk, vertel van de getuigen bij !
een rechtszitting, enz,) Wij zijn allen gie-
tuigen, geven eiken dag getuigenis, —
d. i. wij vertellen wat wij gezien en ge-
hoord iifibben. Is onze getuigenis altijd !
waar9 Wij worden dikwijls verleid om
niet de geheele waarheid te vertellen,
wanneer wij iets te zeggen hebben, dat
bi niet geloofd, óf bespot zal worden, of
misnoegen verwekken, enz.; of dat anderen '
ons minder zal doen achten (b.v. wanneer
een jongen moet vertellen van een school-
kameraad, die beter of knapper is dan
hij). (Licht dit nog meer toe).
Zie nu, hoe Johannes zijn getuigenis
gaf en wat er het gevolg van was.
I. De Getuigenis.
1. Wat zeide hij reeds inden beginne?
Zie Matth. III : II, 12; Mark. I : 7, 8;
Luk. III : 16, 17. Hij, die komen zou,
was grooter dan Johannes, zooveel grooter,
dat Johannes zelfs niet waardig was
Zijn slaaf te zijn (zie Aant. 2). — Hij
zou doopen, niet slechts met water, als
een teeken van berouw, maar met den
Heiligen Geest, die in de harten der
menschen zou komen en ze door en door
zou reinigen, evenals metaal duor vuur
wordt gelouterd; — Hij zou zijn als een
landman, die het koren want; wat zou er
met het kaf, met de onwaardigen in Zijn
oogen, gebeuren? — wat met het zuivere
en goede graan ?
2. Maar nu spreekt Johannes nog dui-
delijker. — Hij, die komen zou, is ver-
schenen — hij kent Hem nu — hij heeft
Hem gezien — wanneer? — hoe wist hij,
wat dat wonderbare gezicht beteekende ?
Zie Matth. III : 16, 17; Joh. I : 32, 33.
(Verwij< naar Les XJ). Zes weken zijn
er sedert dien dag verloopen, en nu kornt
er een plechtig gezantschap uit Jeruzalem
tot Johannes, om te vragen wie hij is
(Lees vers 19—28). Hoe antwoordt
Johannes? hoe sprak hij nu van den
Koning?
(a.) Als van Eeneny die reeds gekomen
is — (vers 2G) — «Hij staat midden onder
ulieden» — onbekend — onopgemerkt
onder het volk (zie Juh. I : 10) — «de-
zelve is heta, vers 27. (Waar was Jezus
geweest, sinds Johannes Hem voor het
laatst gezien had?)
(b.) Als van het Lam Gods — (vers
; 29) — het ware Lam, waarvan het
paaschlain een type was, dat volgens de
profetie «ter slachting geleid-) zou worden.
Zie Exod. XH : 1-13; Jes. LIH : 7;
Hand. VIH : 32; 1 Cor. V : 7; Openb.
XIU : 8 (Zie AayU. 4).
(c.) Als van den Zoon van God —
: (vers 34) — niet slechts een mensch,
I gevallen en zwak, maar de Almachtige,
■ Algenoegzame. Zie Hebr. VII : 20—28.
II. Hoe werd de getuigenis
ontvangen?
1. Geloofden de Priesters en Levieten
dit alles? Zij vragen niet eens naar Hem,