Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
XII. DE DRIE VERZOEKINGEN. 50
tijds om aan Godsliefdetetwijfelen,somtijds
om «God te verzoeken», somtijds om kwaad
te doen opdat het goede er uit voortkome
(Zie de Inleidende Aanteekening). Wat
moeten wij doen?
1. Wij moeten op Christus zien,
steunende op Zijn medelijden. Zie Hebr.
11 : 18, IV : 15; Luk. XXII : 31, 32.
Zijn wij omringd door die verzoekingen,
welke de duivel met listigheid tegen ons
beraamt? Laat ons dan onze zorgen op
Hem werpen, want Hij zorgt voor ons.
2. Wij moeten op Christus zien als
ons voorbeeld. Hoe kunnen wij Hem
navolgen? (a) Wederstaat den duivel,
Jak. IV : 7; 1 Petr. V : 9. Waak| tegen
de eerste inblazingen, al willen zij tot
schijnbaar kleine zonden verleiden, Ps.
XXXIX : 2; Matth. XXVI : 41; 1 Thess.
V ; 22. Strijd tegen langdurige en steeds
wederkeerende verzoekingen, Efeze VI :
10-13; Hebr. XH : 4; Luk. XXI : 36;
1 Cor. XVI: 13. {b) Gebruik Gods Woord
als uw wapen, en heb het altijd in ge-
reedheid, Ef. VI : 17; Hebr. IV : 12;
Ps. XVII : 4, 5, XXXVn :3!, CX1X:11.
3. Wij moeten op Christus zien, onze
kracht van Hem verwachtende. De Satan
is sterker dan wij, maar Christus is nog
sterker. Doe niets zonder Hem, 2 Cor. XII:
9; Ef. VI: 14; laat niet na te bidden, zooals
in Ps. XVII : 5; XIX: 13; Matth. VI: 13.
Aanteekeningen.
1. Oe volgorde van de drie verzoekingen
wordt door Mattheus en Lukas verschillend
opgegeven. Die van Mattheus is blijkbaar
juister met betrekking tot den tijd; terwijl
Lukas ze meer naar haren aard rangschikt,
in dezelfde volgorde als de Bijbel gewoon-
lijk de verzoekingen plaatst; zie de volgende
aanteekening.
2. De drie verzoekingen hebben een
merkwaardige overeenkomst met de drie
lokstemmen, welke Eva ten val brachten,
met de drievoudige verzoeking, die in
1 Joh. II : 16 wordt genoemd, en met de
drievoudige uitdrukking, die wij gewoonlijk
bezigen — «de wereld, het vleesch, en de
duivel» — Wij hebben dus (zie Gen. III: 6):
«Goed tot spijze» — «De begeerlijkheid
des vleesches» — Het vleesch — de eerste
verzoeking.
«Een lust voor de oogen» — «De be-
geerlijkheid der oogen» — De wereld —
de tweede verzoeking (naar de volgorde
van Lukas).
«Begeerlijk om verstandig te maken»
— «De grootschheid des levens» — De
duivel — derde verzoeking (naar de voZ^r-
orde van Lukas).
Er is bijna geene zonde, die wij begaan,
welke niet eenig punt van overeenkomst
heeft met eene van die, waartoe de duivel
Christus wilde verleiden.
Aan den anderen kant blijkt het toch,
wanneer men de drie verzoekingen aan-
dachtig beschouwt, dat zij, hoe verschillend
ook in vorm, op hoe onderscheiden wijze
zij ook worden aanbevolen, inderdaad
verzoekingen zijn tot eene en dezelfde
zonde, n.l. het doordrijven van eigen wil,
een gaan van ieder in zijn eigen weg, in
één woord, ongehoorzaamheid.
Om toe te lichten, dat de drie verzoekingen
éénen oorsprong hebben, vrage men —
welke van de drie verleidde Ananias en
Saphira tot zonde? Ongetwijfeld de eerste
— want zij konden, uit gebrek aan geloof
aan Gods zorgende liefde, van hunne ge-
wone middelen van bestaan geen afstand
doen. Even zeker de tweede — want zij
«verzochten God», zooals Petrus tot hen
zeide; en wel door de gunst der menschen
te zoeken, en te denken dat zij God eerden
en Zijne zegeningen zouden verwerven
op een weg, die de Zijne niet was. Zeker
ook de derde — want zij dachten schatten
voor zich zelf te verzamelen ten koste
van een kleinen, onuitgesproken leugen.
Kortom, zij gingen hun eigen weg, en zij
zagen dat er een weg is, die in fiet oog
der menschen goed, maar welks einde de
dood is. Wij hebben opgemerkt, dat in de
verzoeking, die Eva ten val bracht, deze
' drie allen zijn terug te vinden. «De drie
I verzoekingen wijzen op de drie vormen,
I waarin de zonde zich openbaart — op den
' vleeschelijken lust, de begeerte om geprezen
I te worden en de zucht naar geld. Maar