Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XII. DE DRIE VERZOEKINGEN.
49
Deut. VllI : 2—6. Hij haalt Gods woor-
den tot hen aan, en vergenoegt zich om,
evenals zij en andere menschen, van des
Vaders mildheid af te hangen.
De tweede verzoeking.
De duivel is onmachtig tegenover zulk
eenvoudig, kinderlijk geloof — maar mis-
schien kan hij het door vleierij overmoedig
maken. Zij staan op den kant van een
hoogen toren op den tempelmuur. Ver
beneden hen is de vallei van Josaphat —
zoo ver, dat men duizelig wordt als men
er naar kijkt {Zie Aant. 4). De Satan
wijst naar de diepte — «Toon mij, hoe
vast Gij op uw Vader vertrouwt, door U
naar beneden te storten — vrees niet dat
Gij vallen zult — Gij vertrouwt op den
Vader — vergeet niet, dat de Schrift, die
Gij aangehaald hebt, van engelen spreekt,
die voor Zijne kinderen zorg dragen, —
{(indien tjij Gods Zoon zijt, werp u zeiven
dan hier nederwaarts)).
En waarom zoude Hij het niet doen?
Omdat dit niet de door God vastgestelde
weg is, om Zijn Zoon te eeren. En Jezus
wil den menschen toonen, dat zij «God
verzoeken», wanneer zij Zijn zegeningen
verwachten op wegen, die Hij niet vast-
gesteld heeft (Zie Ps. XGI : 11) — en
dat, hoe onschuldig het ook schijne, het
zonde is, dat te doen, Deut. VI : 16.
De derde verzoeking.
De Satan zal een laatste poging in het
werk stellen. Sinds den Val is hij altijd
de god en overste dezer wereld geweest,
2 Cor. IV : 4; Joh. Xll : 31, XIV : 30,
XVI : 11. Hij weet, dat deze Galileër
waarlijk de Zoon van God is, die Zijne
rechten komt handhaven, den troon, dien
hij overweldigd heeft, terugeischen. Zou
hij Hem kunnen overhalen, om die macht
van hem te ontvangen, en Hem zoodoende
zijne opperheerschappij te doen erkennen ?
Voor de oogen, die dertig jaar niets anders
dan de Gallileesche heuvelen hebben ge-
zien, ontrolt hij al de heerlijkheid en
rijkdommen van zijn uitgestrekt rijk. —
«Dat zal het uwe zijn; alleenlijk, aan-
bid mij».
Hoe kon dit een verzoeking zijn voor
den Heiligen Zaligmaker? Hij kreeg hier-
mede de belofte — (1) dat Zijn koninkrijk,
hetwelk aan alle zonde en ellende, die
Hem zoo smartte, een einde zou maken,
dadelijk beginnen zou; — (2) dat Hij dat
koninkrijk zonder strijd en lijden zou ver-
werven. Maar Jezus wil het kwade niet,,
opdat het goede er uit voortkome (Verg.
David, 1 Sam. XXIV). «Den drinkbeker,
dien Hem de Vader gegeven heeft, zal
Hij dien niet drinken?» Joh. XVIII : 11.
Zie Hebr. H : 9, 10; Phil. II : 8—11;
Jes. LIIl : 12. In heiligen toorn doet Hij
met verachting den verzoeker van zich
gaan. Maar op welke wijze? Niet als de
Zoon van God, die Zelf aangebeden moest
worden — niet als de Almachtige, die
dus ook over den Satan macht heeft, neen,
maar als een mensch, als een onzer. Hij,,
een mensch, moet Gods wetten gehoor-
zamen : Hij, een gehoorzaam onderdaan,
moet geen hulde bewijzen dan aan God.
De Satan verliet Hem «voor een tijd».
Wanneer kwam hij terug? Zie, hoe hij
naderhand met onvermoeide list, priesters,
tol zelfs een apostel gebruikt, om Jezus
aan te vallen, Matth. XXVII : 40, XVI r
22, 23. Denk ook aan zijn laatste»
aanval in den Hof en op het Kruis; zie
Joh. XIV : 30; Luk. XXII : 53.
Waarom moest de Zoon van God dit
alles ondergaan? {Vet^ijs naar het motto
van de vorige Les).
Was de Satan niet een geweldige tegen-
stander om tegen te strijden? Dezelfde
tegenstander valt ons nu aan. Zie Job
I : 7; Luk. XXH : 31; Ef.VI:12; 1 Petr.
i V : 8. En met dezelfde verzoekingen, som-