Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
XII. DE DRIE VERZOEKINGEN. 48
Er is geene poging gedaan, om in de Schets op eene of andere wijze eene
vergelijking te maken tusschen deze drie verzoekingen en die, welke kinderen
in het dagelijksch leven ontmoeten; dit slechts omdat de enkele voorbeelden,
die gegeven konden worden, de toepassing zonden beperken^ en alles wat niet
vermeld werd, zouden schijnen buiten te sluiten. De volgende w^enken zullen
echter eenig denkbeeld geven van de wijze, waarop de vergelijking gemaakt
kan worden.
(1) Wanneer een kind verstoken is van iets, dat het gaarne hebben wil,
dan is het ontevreden en klaagt, en zoekt dat dan misschien op ongeoorloofde
wijze te verkrijgen. Kinderen bedrijven tallooze zonden van dezen aard. En
wat was het doel van de eerste verzoeking anders, dan om ontevredenheid in
Jezus' gemoed te wekken, en Hem er 'oe te brengen, zich zeiven te verschaffen
wat Zijn Vader Hem niet had gegeven?
(2) Een kind zal zijn eigen weg gaan, zijn eigen wil volgen en zich dik-
wijls aan lichamelijk gevaar blootstellen, zeggende: «O, het gaat heel goed!»
of «Het doet er niet toe!» Deze geest openbaart zich, hoewel op verschillende
wijze, bij alle kinderen. En wat is hij anders dan dezelfde roekeloosheid,
waartoe de tweede verzoeking onzen Heer dringen wilde?
(3) Een kind zal een enkele (en schijnbaar kleine) zonde doen — misschien
is het een leugen, of een driftbui, of een ongehoorzame daad, of een plicht-
verzuim — om een begeerd voorwerp te verkrijgen. Deinsde Christus hiervoor
niet terug in de derde verzoeking?
Dit zijn slechts weinige wenken, maar het geheele onderwerp omvat zooveel,
dat er bladzijden vol geschreven konden worden met de gedachten, die zich
aan den geest opdoen. Nog andere punten ter bestudeering zullen in Aan-
teekening 1 en 2 gevonden worden.
Schets van de Les.
Heden moeten wij de verzoeking van
Christus een weinig nader beschouwen
Waar lieten wij Hem? hoe lang was Hij
daar geweest? Waaraan leed Jezus aan
het einde van de veertig dagen? {Her-
haal). Nu verschijnt de Satan {Zie Les
XI, Aant. 8). — neemt het oogenblik
waar — hoe begint hij ?
De eerste verzoeking.
De Satan herinnert Jezus aan de stem
bij Zijn doop — «Zijt Gij de Zoon van
God? Laat God Zijn Zoon door honger
omkomen? Kan Hij uw Vader zijn?Maar
indien Gij de Zoon van God zijt, behoeft
Gij niet om te komen — Gij hebt macht —
oefen die uit; indien Gij Gods Zoon zijt,
zerj tot deze steenen dat zij brood worden».
■Aarzelt Jezus? Twijfelt Hij aan de liefde
Zijns Vaders? Zal Hij voor zich zelf een
wonder doen? Hij verwerpt eenvoudig de
verzoeking geheelenal.
Maar hoe 9 Wil Hij den Satan bewijzen,
dat Hij de Zoon van God is? Hierover
spreekt Hij niet. Hij staat tegenover hem
als een mensch. Zwakke, zondige men-
schen werden door God gespijzigd zonder
aardsch voedsel, niet gedurende veertig
dagen, maar gedurende veertig jaren, zie