Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
XI. DE DOOP, HET VASTEN EN DE VERZOEKING.
deze Heiiige niet kan verzocht, of ook
zelfs deze Machtige niet kan overwonnen
worden.
4. De veertig dagen zijn voorbij. De
kwelling van den honger na zoo lang
vasten, doet zich aan Jezus gevoelen. Dit
is schijnbaar een zwak oogenblik en voor
den Duivel dus zeer gunstig. Hoe de Satan
Jezus verzocht en hoe Jezus den Satan
overwonnen heeft, zullen wij aanstaanden
Zondag zien. Maar wie bracht, toen de
strijd gedaan was, aan Jezus het voedsel,
waarnaar zijn raenschelijk lichaam ver-
langde? Hier is weder de Meester gelijk
aan de dienstknechten; verg. 1 Kon.
XIX : 5; Ps. LXXVIII : 25.
Wij zien dus den Zoon van
God. „den broederen in alles
gelijk geworden."
Wij hebben gezien: —
(a). Hem, die geen zonde kende, zich
■onderwerpende aan den doop der be-
keering, evenals de zondige menschen om
Hem heen.
(b). Hem, die Gods wil volkomen kende
en liefhad, de inwendige leiding van den
Heiligen Geest volgen, evenals wij, die
zonder die leiding het goede niet kunnen
volbrengen (doch behoorden te doen).
(c). Hem, wien de geheele aarde be-
hoort. geduldig lijden bij gebrek aan het
noodigste voedsel.
(d). Hem, die de Heer der engelen is,
toelaten, dat Hij door den vorst der ge-
vallen engelen wordt verzocht, en door
Zijne eigene, niet gevallen engelen wordt
gediend.
Laat ons Zijne wonderbare liefde
aanbidden. Dit alles deed Hij voor ons.
Laat ons trachten Heni gelijk te
worden, die het niet beneden zich achtte
ons gelijk te zijn. Hoef
Doen wij, belijdenis van onze zonden, en
verlangen wij naar reinigmaking?
Bidden wij, om met den Heiligen Geest
vervuld te worden en Zijne goddelijke
leidingen te gehoorzamen?
Doen wij zoo geheel afstand van het
aardsche, dat ons vleesch aan den Geest
onderworpen is?
Dragen wij geduldig alle leed, dat God
ons toezendt?
Wederstaan wij den duivel zonder
ophouden?
Aanteekeningen.
1. Er is veel over getwist, of Johannes
ooit den Heer Jezus gezien had, toen Hij
kwam om gedoopt te worden; met andere
woorden, of hel «ik kende Hem nietn
van Joh. I : 35, op den persoon van
Christus of op Zijn Messiasschap doelde.
Het spreekt van zelf, dat de dnrpstimmer-
man en de zwerveling in de woestijn
niet op vertrouwelijken voet met elkander
konden zijn, en de voorstelling van de
«Heilige Familie» op zoovele midden-
eeuwsche schilderijen, is even ongegrond
als een menigte andere denkbeelden uit
dien tijd. Maar het is zeer onwaarschijnlijk,
dat twee Joden, die daarenboven blóedver-
wanten zijn, zoo lang zouden leven zonder
elkander zelfs op de jaarlijksche feesten
te ontmoeten, want er bestaat geen reden
waarom Johannes zich hiervan terugge-
trokken zou hebben. En indien Johannes
niets van Jezus wist, waarom zou hij dan
geschroomd hebben Hem te doopen?
Het is zeker, dat hij Hem niet als den
Messias kende; op dit punt is Joh. 1:32,
33 beslissend. Zijn aarzeling moet zijn
voortgesproten uit zijne persoonlijke be-
kendheid met het heilige leven van Jezus
van Nazareth.
2. «is terstond opgeklommen uit het
water Het woord «terstond» schijnt
aan to duiden, dat Jezus niet in het
water wachtte op de voorschriften, welke
Johannes waarschijnlijk, volgens Joodsch
gebruik, gewoon was aan de gedoopte
Proselieten te geven (Zie Luk. III: 10—14).
3. (nDe hemelen werden geopend».
In het evangelie van Markus komt een
ander woord voor dan in Mattheus en