Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
45 XI. DE DOOP, HET VASTEN EN DE VERZOEKING.

III : 5. Maar Hij was gekomen om onze
zonden op zich te nemen, om met «de
misdadigers gerekend te worden»; wat zij
moeten doen, zal Hij ook doen, en «alle
gerechtigheid vervullen». En ook indezen
doop zal Hij aan de ruwe krijgslieden en
de verdorven tollenaars gelijk zijn.
(Voorbeeld: — Koning en oproerlin-
gen — de oproerlingen komen en leggen
hunne wapenen neêr voor den koning —
zou een onschuldige met hen mede
willen gaan? — hij zou niet nonder de
misdadigers» gerekend willen worden.
Dit deed Jezus).
3. Hij daalt van den oever in de rivier.
Biddende (Luk. IH : 21) stijgt Hij er
weder uit op (Zie Aant. 2). En zie wat
er gebeurt! De hemel wordt geopend,
(Zie Aant. 3), een zee van licht stroomt
naar beneden, een wonderbare gestalte
daalt op Hem neer; en dan komt er een
stem uit den hooge. Wie waren deze
Drie — de Een,' die uit den hemel s prak —
de Een, die op aarde stond — de Een,
die uit den hemel op aarde neêrkwam?
Verschillende personen — alle drie god-
delijk — maar geen drie Goden — hoe
noemen wij ze?
4. Let op hetgeen de stem zeide. (a.)
Wat verkondigde zij aan Johannes. Dat
deze neef van hem, deze eenvoudige hand-
werksman uit Nazareth, wiens heerlijk en
heilig leven hem bewondering en ontzag
inboezemde, de Koning zelf is, wiens
komst hij heeft uitgeroepen. Hoe weet hij
dit? en wat wordt hem nog meer ge-
openbaard? Zie Joh. I : 33, 34. (b). Wat
zeide de stem tot Jezus? Dat juist toen
Hij, de Zondelooze, zich zeiven ver-
nederde om als een zondaar gedoopt
te worden, de Vader zulk een «welbe-
hagen» in Hem had (Verg. Jes. LUI: 10;
Phil. n:8—10). Welk een liefde en zelf-
vernedering!
II. In de Woestijn.
1. Jezus is im «gezalfd met dei>
Heiligen Geest» (Hand, X:38^ — gereed
om voor het volk als hun Koning en
Profeet op te treden. Zie 1 Sam. X : 1,
XVI : 1 , 12, 13; 1 Kon. XIV : 10-
Ps. LXXXIX : 21. Wij moeten ook den
Geest hebben — maar waarom? (Rom,
VIII : 7—9) — Hij niet om die reden, en
toch was Hij, als mensch, onder de
leiding van den Heiligen Geest evenals wij
moeten zijn. Maar hoe verschillend van
ons: wij weêrstaan en bedroeven den
Geest, Hij was «vol des Heiligen Geestes»
(Luk. IV : 1. Zie Joh. Hl : 34) — maar
waar leidt de Goddelijke Leidsman Hem
.nu heen? — naar Jeruzalem? (Lees
hoofdstuk VI : 1—11; Mark. I : 12, 13;
Luk. IV: 1, 2). Laat ons den Heer in de
woestijn volgen en Hem beschouwen.
2. Een woeste, rotsachtige, eenzame
streek (Zie Aant. 5). Wilde beesten
sluipen rond, Mark. 1 :13 (Zie Aant. 6),
en zelden komen er menschen voorbij.
Jezus is daar alleen. Veertig dagen eet Hij
niets, toch gevoelt Hij het niet, zoo ver-
vuld is Hij van Zijne gedachten, zoo ijverig
in het gebed (Zie Aant. 7). Wie vastte
ook zoo? Zie Deut. IX: 9; 1 Kon. XIX: 8.
En wie zonderde zich ook een tijdlang af,
eer dat hij in het openbaar zijn werk be-
gon? Zie Exod. Hl : 1; Luk. I :80; Gal.
I : 16—23. Christus wil dus ook hierin
aan Zijne dienstknechten gelijk zijn.
3. Daar is er één, die Jezus vol haat
en vol vrees volgt. De Satan heeft den
Nazareenschen werkman, die nooit zon-
digde, gezien — hij heeft de wonderbare
stem uit den hemel gehoord — hij weet,
dat deze eenzame zwerveling in de woes-
tijn de Zaligmaker is, die zoovele eeuwen
te voren in Eden beloofd was (Gen. Hl :
15) — hij weet, waarvoor Hij is gekomen
(1 Joh. IH:8), Hij zal beproeven of ook