Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
43 X. DE VOORLOOPER.

groeten, die hen kwam bevrijden? Waarom
met vreugde? Omdat zij gevoelen, dat zij
in ellende en gevaar verheeren. Zoo is
het met ons — bij het gevoel van zonde
worden onze harten, hard als de ruwe
weg, zacht, en harten, vol bedrog, als het
kronkelende pad, recht (oprecht) gemaakt.
Wie han de harten zacht maken — en
ze zoo voorbereiden om Christus te ont-
vangen ? Zie Ezech. XXXVI: 26. De Heilige
Geest overtuigt ons van zonde, Joh. XVI: 8.
Aanteekeningen.
1. Judea was reeds meer dan twintig
jaar een Romeinsche provincie geweest, toen
Johannes de Dooper verscheen. Herodes'
zoon en opvolger, Archelaüs, was om zijne
wreedheden door den Keizer afgezet, en
naar Gallië verbannen, en een «procurator»
was aangesteld, om het koninkrijk onder
den «prefect» van Syrië te besturen.
Pontius Pilatus was de zesde van deze
«procurators». Over de vorsten enz., in
Luk. Ill: 1 genoemd, zie Les VIH, .\ant. 5.
2. De «woestijn van Judea« is een
naam, gegeven aan de onbewoonde strook
lands tusschen het heuvelland van Hebron
en Bethlehem en de Doode Zee, eigenlijk
bestaande uit de woeste bergspleten, die
bijna loodrecht neérdalen in de diepe
bedding van de zee, en de steile rotsen,
die het doorsnijden. Deze streek besloeg het
gedeelte van het land tusschen Jericho in
het noorden en Engedi in het zuiden. Johan-
nes richtte zich, toen hij daar predikte,
denkelijk naar het noorden. Immers doopte
hij zijn eerste discipelen bij de«woestijn»,
en dit moet geweest zijn bij de lagere
veren van den Jordaan tegenover Jericho.
l^n weinig later, .loh. 1 : 28, vinden wij
hem te Bethabara (of Bethanië) waar-
schijnlijk bij de hoogere veren, waar de
• Jabbok in den Jordaan vloeit (verg. Richt.
Vil : 24); en naderhand te Enon bij Salim
(Joh 111 : 24). welke plaatsen nog hooger
op bij Bethsan of Scythopolis moeten ge-
legen hebbeii.
3. Sprinkhanen zijn geen ongewoon voed-
sel voor de armen in het Oosten; met
meel vermengd, worden er soms koeken
van gebakken, soms worden zij met boter
gekookt en als garnalen gegeten, of wel
gebakken of gebraden. De Mozaïsche wet
liet toe. dat zij gegeten werden, Lev XI:
22. Ki Wilde honigr>, verg. Deut. XXXll :
13; Richt. XIV : 8 ; 1 Sam. XIV : 25;
Ps. LXXXI : 17.
4. De diepe indruk, gemaakt door het
optreden van een man in de kleeding en
met de levenswijze van profeten als Elia,
predikende in den «geest en de kracht
van Elia», — en dat, nadat er gedurende
400 jaren geen profeten waren geweest,
sedert Maleachi de verschijning van Elia
vóór des Heeren komst voorspeld had —
die indruk blijkt uit de menigten volks, die
uit alle deelen des lands naar d»» vallei van
den Jordaan toestroomden; en men moet
bedenken, dat Johannes geen wonderen
deed (Joh. X : 41). Men heeft berekend
dat het een Sabbathjaar (Lev. XXV) was;
en daar deze jaren met zekere nauwgezet-
heid door de Joden werden gevierd, zou
het volk niet door zijne gewone beroeps-
bezigheden zijn teruggehouden. Volgens
Stanley en anderen ging er toen juist
een expeditie door het Ghor (de vallei
des Jordaans) van Damascus uit tegen Petra
in Iduméa, de hoofdstad van Aretas, den
Koning van Petreïsch Arabië (2 Cor. XI: 32),
en eenigen dezer troepen waren zeker de
«krijgslieden» van Luk. 111 : 14.
5. Men heeft er zeer over gestreden, of
de doop van Johatmes iets nieuws was.
Het schijnt echter zoo goed als zeker,
dat de plechtigheid reeds vroeger bij de
Joden in gebruik was bij de toelating van
Heidensche proselieten. De vraag van de
Priesters en Levieten (Joh. I : 25) doet
vooronderstellen, dat zij het niet vreemd
zouden vinden, indien de Messias en Elia
doopten.
6. «Het Koninkrijk der hemelen is
nabij». Deze uitdrukking is eigen aan
Mattheus. Op andere plaatsen heet het
«Het Koninkrijk Gods». Hiermede wordt
de nieuwe bedeeling aangeduid, die bij
de komst van den Messias begon, en waar-
van de Joden dachten dat het een aardsch
koninkrijk zou zijn — maar werkelijk een
geestelijk koninkrijk was.
7. «Bereidt den weg des Heeren», enz.
Een soortgelijk bevel ging uit, wanneer