Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
41 X. DE VOORLOOPER.

Schets van de Les.
Het is dertig jaar geleden sinds geheel
«Jeruzalem beroerd was» door de Wijzen
uit het Oosten; achttien jaargeleden sitids
de Galileesche knaap de Rabbi's verbaasde
door zijne vroegtijdige wijsheid. Alles is
nu vergeten. Oude menschen zijn gestorven,
jonge menschen oud, kinderen groot ge-
worden. Nu is er geen koning {Vfirwijs
naar Les VIH. Zie AautA). Zes Romeinsche
stadhouders hebben sinds dien tijd over
Judea geregeerd; allen werden zij, als
vreemdelingen, door het volk gehaat; de
tegenwoordige, Pontius Pilatus, is nog meer
gehaat dan de anderen. Hoe lang, vragen
zij, moeten wij nog aan vreemdelingen
onderworpen zijn? — Zal de Messias nu
niet komen? Zij hopen en verwachten, dat
God hun zeker een groot krijgsman zal
zenden, die hun Heidensche overheerschers
zal verjagen en op den troon van David
zitten.
Eensklaps verbreidt zich een geruclit in
Jeruzalem — de een vraagt er den ander
naar — een vreemde man is in de woestijn
van Judea verschenen (zie Aant. 2), met
het kleed en het voorkomen van de pro-
feten uit vroeger dagen (2 Kon. 1:8;
Zach. XIII : 4), zich voedende met de ruwe
kost van een Nazireër (.Matth. III : 4;
Luk. I : 15; Xum. VI) (Zie/lani. 3). ver-
kondigende dat het «Koninkrijk der heme-
len nabij was» {Zie Aant. 6). Het volk
stroomt er van alle kanten heen, om hem
te zien en te hooren.
Laten wij nu vragen: wat kwam hij doen?
hoe deed hij het? wat was de uitslag?
I. Wat was de zending van
Johannes den Dooper?
Zie, wat de engel tot zijn vader zeide,
toen hij zijn geboorte kwam voorspellen.
Luk. I : 13—17. Zie, wat hij van zichzelf
zeide. Joh. I : 23. Zie, de profetieën, waar-
naar de engel en hij verwezen, Jes. XL: 3,4;
Mal. 111 :1, IV: 5, 6. Wanneer een groot
koning in die dagen op reis ging, waren
er geen spoorwegen of straatwegen, die
hij gebruiken kon; er gingen dus wegbe-
reiders voor hem uit, om door de bosschen,
moerassen en bergen een doorgang te
banen, om de woeste, snialle, kronkelende
paden gelijk — breed — recht te maken.
Dit was juisL wat Johannes moest doen.
Hij was een ivegbereider, een voorloope^'.
Voor wien moest hij den weg bereiden?
Wat moest bereid woiden? — de harten
der Joden. Waarom—zij waren oneffen
(trotsch en zelfzuchtig) — krom (vol
bedrog).
II. Hoe volbracht hij zijne
zending ?
1. Laat ons met de menigte van Jeru-
zalem medegaan — over den Olijfberg
— langs den steilen, woesten, rotsachtigen
weg van «Jeruzalem naar Jericho» (Luk.
X : 30) — naar de heete vallei van den
Jordaan (Zie Aant. 3) — naar den oever
der rivier, dicht bij de plaats, waar Israel
haar dooi trok in Jozua*s tijd. Zie die groote
scharen (Matth. Hl : 5, 7; Luk. Hl : 12.
14); lieden van allerlei stand, visschers
van Galilea, herders van het Overjor-
daansche, wijngaardeniers van Judea, tolle-
naars van Jericho en Capernaüm, krijgs-
lieden, die tegen den Koning van Arabië
gingen strijden tiotsche Farizeeën en
ongeloovige Sadduceeën van .leruzalem
(Zie Aant. 4). In hun midden is Johannes —
wat zegt hij? Lees Matth. III : 2.
2. Sommigen denken, waarcm zouden
wij ons bekeeren? Indien de Koning
komt, zijn zij gereed om zich bij hem te
scharen, en tegen de Rojneinen testrijden —
wat heeft dat met bekeering te maken?
Maar .lohannes spreekt hun van hunne
zonden — van Gods toorn; en sommigen
beginnen te denken, dat, indien zij boomen