Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
IX. HET EERSTE PAASCHFEEST. 38
Wij kunnen — (a) Gods instellingen in
acht nemen; Jezus hield het Paaschfeest,
al behoefde Hij de verlossing niet, waar-
van bet spreekt. (6) De instellingen van
Gods kerk nakomen (b. v. het Belijdenis
doen, zooals hierboven gezegd werd); de
wetten omtrent het worden van een «Zoon
der wet», waren oorspronkelijk niet van
Mozes, maar van de Rabbijnen; toch, daar
zij goed waren, gehoorzaamde Jezus er
aan. (c) Het huis Gods bezoeken; indien
er een Hollandsche jongen zoek was, zou
hij dan in de kerk gevonden worden?
En toch lees Ps. XXVI : 8, LXV : 5.
LXXXIV. (d> Trachten meer van Gods
Woord te leeren; indien Jezus het onder
de aangestelde leeraren bestudeerde, hoe
veel te meer moeten wij het doen! (e) Toch
de plichten jegens onze aardsche xrienden
niet verwaarloozen, onzen ouders onder-
danig zijn, enz.
Maar er ligt nog veel meer in de
UH>orden. De locomotief doet veel krachi —
zie, wat voor zware treinen zij %oorttiekt! —
maar gaat niet van zelf — iets is noodig,
om haar in beweging te brengen en te
houden — stoom.
TVaf hebben wij dan noodig? VCwas
het geheim van alles, wat Jezus deedby
had den Wil — den emstigen wensch
en het voornemen — om Gods teil te
doen. Ps. XL : 8, 9. Daar Hij dien wü
had, moest Hij tin de dingen Zijns
Vaders zijn» — Hij kon niet anders —
en deed dit niet als een moeilijken plicht —
het was Zijn lust. Zijn spijze en drank.
Joh. IV : 34.
Hebben u'tjd^z^i ui/? Niet van nature;
allen willen wij gaariie «onzen eigen
weg» gaan, Jes. LUI : 6 — fiebben een
afkeer van Gods weg. Rom. VIII : 7. 8.
Hoe kan dit veranderd worden? Zie hot
volgende vers (Rom. VIII : 9). — Vraag
eiken dag. elk uur. elk oogenblik: «Heer,
wat wilt Gij dat ik doen zal^ (Hand.
IX: 6)? Wat is dan de belofte? Zie Matth.
VI : 33.
Aanteekeningen.
1. Het Joodsche gebruik, om jongens
als • zonen der wet» aan te nemen,
wanneer zij twaalf jaar waren of dertien. —
(het is niet zeker of Jezus ook een jaar
vroeger, dan de juisten tijd, opging) — is
welbekend. De volgende plaatsen uit de ge-
schriften der Rabbijnen verwijzen er naar:
• Dat een man zijn zoon op zachte wijze
behandele, totdat deze twaalf jaar oud is,
maar dat hij zich dan bemoeie om hem
te leeren in zijn onderhoud te voorzien;
dat hij hem met nauwgezetheid engestreng-
heid (als het noodig is) houde aan het
werk, waarmede hij zijn bi'ood zal kunnen
verdienen». tTot op den leeftijd van
dertien jaar moet een vader toezien, dat
zijn zoon de plichten van den godsdienst
vervult, maar op zijn dertienden geboorte-
dag mag hij zeggen: Gezegend zij Hij.
die mij vrij heefi gemaakt van den last
der zonden mijns zoons».
Het is opmerkenswaard, dat het Grieksche
woord, met «kind» vertaald in vers 43.
niet het woord is dat vroeger in dit hoofd-
stuk gebruikt wordt (waar het verklein-
woord «kindeken» voorkomt), maar dat
het eigenlijk knaap beteekent.
2. Het Paaschfeest was in de latere
dagen der Joodsche geschiedenis veel om-
vangrijker dan het in Egypte geweest was
en het moest grooten indruk maken op
een ieder, die het voor den eersten keer
bijwoonde. Onder de talrijke instellingen, die
langzamerhand er aan toegevoegd waren,en
bijna even heilig waren geworden aN die
in Exodes XXII voorgeschreven zijn. be-
hoorde het met vaste tusschentijden rond-
geven van vier bekers tcyn [op twee van
deze woi-dt duidelijk gezin5j>oeld in Luk.
XXII: 17, -20] en de lofzang:, het .HalleU
genaamd (een samentrekking van halle-
luja), welke bestond uit het zingen van
Ps. CXIII—CXVIIl in voorgeschreven af-
deelingen ; eene daarvan was zonder twijfel
de «lofzang», door Christus en de elven
gezongen (Matth. XXVI : 30).