Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
IX. HET EERSTE PAASCHFEEST. 36
bijzondere verplichtingen (zooals het bijwonen der godsdienstoefening, oplet-
tendheid bij het onderwijs, gehoorzaamheid aan ouders) in heiinnering te
brengen, dan wel op den geest te wijzen, die van dit alles de oorsprong is,
die tot alles aandrijft, nl. de begeerte, om God altijd de eerste te doen zijn,
om voor Hem alleen te leven. Deze oefent op alles invloed uit, en is ook de
sleutel voor het geheele aardsche leven van Christus. Zie hierin ook de hoofd-
gedachte van den tweeden tekst, welke opgegeven is om te leeren.
De onderwijzer geve zich de moeite, den kinderen duidelijk uit te leggen,
dat Jezus niet tusschen de leeraren zat als hun meerdere, en niet met hen
redetwistte, hoewel de meeste platen en schilderijen juist het tegendeel voor-
stellen. Misschien doet een leerling de scherpzinnige vraag, waar Jezus die
drie dagen onder dak was. Hier moet men weder het dikwijls nuttige ant-
woord geven, — niet: alk weet het niet», hetwelk de onwetendheid van dien
bijzonderen onderwijzer zou aanduiden, maar — <iWij weten het niet», d. w. z.
niemand weet het. Maar zie Aant. 4.
Schets van de Les.
Uit die dertig jaar wordt een bijzondere
gebeurtenis verhaald — die zullen wij
heden overdenken.
I. Gaande naar het Paaschfeest
{Lees vers 41. 42).
Eenmaal 's jaars gingen Jozef en Maria
een week of twee van huis, en lieten het
kind Jezus achter. Waar gingen zij heen?
Waarom? Zie Deut.XVI: 1—8, verg. I Sam.
I : 3. Kleine kinderen gingen niet^ maar
eindelijk was Jezus oud genoeg (Zie Aant.
1). Nu kan Hij een a zoon der wet»
worden — toegelaten worden tot al de
voorrechten van Gods uitverkoren volk.
Twee zaken waren bij de Joden inge-
steld als teekenen van Gods vei'bond met
hen; het eene — de Besnijdenis, als
toelating tot het verbond, het andere —
het Paaschfeest, het blijven in het ver-
bond; beide waren onontbeerlijk; Gen.
XVH : 15; Ex. XH : 15; Num. IX : 13.
W^at beteekende de Besnijdenis? Verwijs
naar Les V. Wat beteekende het houden
van het Paaschfeest? De herinnering
aan Israels verlossing van de slavernij en
den dood, door hun geloof en gehoorzaam-
heid aan God in het eteu van het lam en
het sprenkelen van het bloed.
Wij hebben ook twee groote instel-
lingen: den Doop, het teeken van de toe-
lating tot Christus' kerk (zie Les V); het
Avondmaal, als teeken van het blijven in
die Kerk (herinnering aan de verlossing
door het Lam Gods, zinnebeeld van
brood en wijn — het geloofsleven, daar-
door in stand gehouden, enz.). Wanneer
het gedoopte kind oud genoeg is, wordt
het Bevestigd — het verbond wordt open-
lijk bekrachtigd — dan zit het aan de
tafel des Heeren aan; even als een Joodsche
jongen van twaalf jaar, als «zoon der wet»
het Paaschfeest medevierde.
W^ie hebben gezien, hoe Jezus zich aan
de eerste instelling onderwierp; nu zullen
wij zien, hoe Hij de tweede in acht nam.
Maak u een voorstelling van die reis —
groote gezelschappen gingen van alle
kanten naar Jeruzalem toe (verg. Ps.
XLH : 5, LV : 15, CXXHil-4) — vele
jongens voor het eerst, verlangend om
die heilige stad te zien, waarvan zij gehoord
en gelezen hadden. Denk aan Jezus, wan-