Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
VIII. HET VERBLIJF TE NAZARETH. 34
merkt, dat het Romeinsche «legioen»
(6000 soldaten) als een type wordt ge-
bruikt van overweldigende macht (Matth.
XXVI : 52; Mark. V : 9), en dat één van
de twaalven een volgeling schijnt geweest
te zijn van Judas den Galileër, den aan-
stoker van het oproer in het jaar 6 n. C.,
nL Simon Zelotes, die tot de sekte der
«Zeloten» behoorde. Josephus geeft een
beschrijving van dit oproer. De steden,
waarvan gesproken is, zijn Tiberias, door
Herodes Antipas, en Caesarea Philippi en
Betlisaida Julias, door zijn broeder Phi-
lippus gebouwd; de twee eerste waren
naar Tiberius, de laatste was naar Julia,
de dochter van Augustus, genoemd.
2. Nazareth ligt in een vallei, door de
heuvelen van Galilea beschut, juist waar
deze afdalen tot de vlakte van Esdraelon.
Een lage, golvende heuvelrij omringt de
groene vlakte, die zich als een meer uitstrekt,
met Nazareth op één der oevers gebouwd.
lie hoogte, van welke de Nazareners
Christus trachtten neer te storten, meent
men met zekerheid te kunnen aanwijzen;
en de put, waaruit de vrouwen nog steeds
haar water halen, is zeker dezelfde,
waaruit Maria putte.
Wat aangaat den slechten naam van
Nazareth, moet men niet vergeten, dat
Nathanaël geen Farizeêr uit Jeruzalem
was, die al de Galileêrs verachtte, maar
te Cana, slechts op een paar mijlen af-
stands, woonde.
3. aHij zal een Nazarener genaamd
wordeny>. (1) Het woord Nazer, op den
Messias, in Jes. XI : 1, toegepast, wordt
daar door «rijsje» weergeven. In de
andere profetieën van het «rijsjes is het
Hebreeuwsche woord geheel verschillend.
(2) Dit woord Nazer komt voor in den
naam ï^azareth, welke zeer gepast is voor
een stad van zulk een geringen naam. (3)
Jezus was bij den naam van deze ver-
achte stad bekend. Hoewel hij niet wer-
lijk uit Nazareth was. werd Hij altijd
zoo ^renoemd. In overeenstemming met de
profetie was Hij een Bethlehemiet, en
toch zonder de eer aan zulk een afkomst
verbonden. Zoowel de naam, als de slechte
vermaardheid van Nazareth bleven Hem
aankleven. Zelfs tot op dezen dag worden
Christenen in het Oosten op verachtelijke
wijze «Nazareners» genoemd.
De meening van sommigen, dat Christus
een Nazireër was, is geheel ongegrond.
Het is een geheel ander woord in het
oorspronkelijke.
4. Dat Jozef, na de gebeurtenissen van
Luk. II, niet meer vermeld wordt, doe
veronderstellen, dat hij stierf vóór het
openbaar optreden van onzen Heer. Dat
Jezus het hoofd des huizes was, schijnt
door de hierboven aangehaalde teksten te
worden aangeduid. Wie Zijne «broeders
en zusters» waren, is een vraag, waar-
over Bijbeluitleggers het altijd oneens zijn
geweest, en dit wel altijd zullen blijven.
Dat zij volle neven en nichten waren,
kinderen van Alféüs (of Clopas) en van
Maria, de zuster van de moeder des
Heeren, is het waarschijnlijkst.
5 Over Joodsche scholen lezen wij het
volgende:
«Tachtig jaar vóór Christus bloeiden
de scholen over het geheele land; — het
schoolgaan was verplicht gemaakt. Terwijl
er voor de Ballingschap geen enkel woord
gevonden wordt, dat op «school» toepas-
selijk zou kunnen zijn, waren er in dien
tijd reeds ongeveer een twaalftal in alge-
meen gebruik. Hier volgen eenige van
de ontelbare, populaire gezegden uit dien
tijd, waaruit blijkt welk een groote be-
langrijkheid het openbare onderwijs in het
leven des volks had verkregen. «Jeruzalem
werd verwoest, omdat het onderwijs der kin-
deren veronachtzaamd werd». «De wereld
wordt alleen door den adem der schoolkin-
deren gered». «Zelfs voor het herbouwen
van den Tempel moet het onderwijs in de
scholen niet gestaakt worden». ».Studie
is verdienstelijker dan olTeranden». «Een
geleerde is grooter dan een profeet».
6. De gewone opvatting van den Zalig-
maker is te veel die van een door God be-
woond menschelijk lichaam, waardoor
Zijne menschelijke ziel geheel wordt
*vooibijgezien, terwijl van deze toch zoo
duidelijk spreken Heb. II :17, 18. IV: 15,
V : 7—9; Matth. XXVI : 38;Luk. X:23;
Mark. VI : 6 en de woorden «nam toe in
wijsheid». Men boude in het oog, dat dit
toenemen in wijsheid onvolkomenheid
vooronderstelt, want van Zijn vroegste
jeugd af was Jezus «vervuld met wijsheid».
Zijn menschelijk verstand zette zich uit,
en hoewel altijd «vervuld», nam Hij toch
toe in wijsheid. Merk ook wel op, dat de
ontwikkeling van Zijn verstand niet beperkt
was tot de jaren van Zijne kindsheid; er
wordt uitdrukkelijk melding van gemaakt