Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
VIII. HET VERBLIJF TE NAZARETH.
33
IV. Zijn karakter.
Stel II een jongen voor. die nooit iets
verkeerds doet, spreekt of denkt; die in
de schoolkamer, bij het spelen, te huis,
op straat, nooit jaloersch, oneerlijk, zelf-
zuchtig, ongehoorzaam, Irotsch, driftig
is — altijd juist het tegenovergestelde —
die nooit door ouders en onderwijzers
gestraft behoeft te worden — {licht dit
nog verder toe^ als er tijd is) — zulk een
jongen was Jezus, Hij was genoeg aan
de anderen gelijk, om niet ieders ver-
bazing te wekken, maar toch hoe geheel
anders !
Wat zegt de Bijbel van andere kinderen?
Zie Spr. XVII: 25, XIX : 13; Ps. LVIII: 4;
Job XIX : 18 — weten wij niet allen, hoe
waar deze woorden zijn? Zelfs de goede
eigenschappen van kinderen zijn zoo on-
volmaakt, een zachtaardige jongen heeft
gewoonlijk een zwak karakter, een flinke,
vastberaden jongen is dikwijls ruw. Maar
Jezus had een «sterken geest» en was
toch een voorbeeld van zachtmoedigheid
(zie Jes. XLH : 2). Er was niemand, die
iets aan Hem kon bespeuren, dat verbeterd
had kunnen worden.
Zie wat in Luk. II : 40, 52 staat: —
«.gesterkt in den geest)y — hoe vele
jongens zijn naar het lichaam sterk genoeg,
maar zwak in verzoekingen; zij hebben
geen macht over hun booze humeur,
kunnen geen leed of teleurstelling ver-
dragen. Hoeveel had Hij te dragen —
hoe pijnlijk moet de zonde, welke Hij om
zich zag, voor Hem geweest zijn (verg.
1 Petr. II : 18)1
¥.vervuld met wijsheid)) (zie Jes. XI :
2—5) — daar was dus geen plaats voor
dwaasheid — hoe velen hebben geen plaats
voor wijsheid !
anam toe in wijsheid en in grootten
{Zie Aant. 6) — hoevele goede en leer-
zame knapen nemen af in wijsheid, wan-
neer zij grooter worden!
«in genade hij God en de menschenu
— sommige jongens behagen aan de
menschen, maar hoe dikwijls door God
juist te mishagen — wie onzer behaagt
beiden? waar is de knaap, in wien God
altijd meer en meer «welbehagen» heeft?
Waarom is dit alles zoo 9 Opdat
hij een voorbeeld zoude zijn
voor allen.
Gij zegt misschien, hoe kan ik Hem
navolgen, die het land doorging predikende
en wonderen doende? Maar hier is een
voorbeeld voor kleine kinderen, voor school-
jongens, voor jongelieden bij hun werk,
voor volwassenen, die arbeiden voor hun
dagelij ksch brood. Kunt gij niets groots
verrichten? Dat deed Jezus ook niet, en
toch was Zijn leven volmaakt; hij ging
slechts dag aan dag voort met Zijn werk,
en vervulde de kleine plichten, welke
dagelijks voorkwamen.
Eischt God meer van ons? Zie Rom.
XU : 9-13; 1 Gor. X:31; Ef. VI: 1—3;
1 Thess. IV : 11.
Het is waar, dat wij nooit die volmaakt-
heid kunnen bereiken. Maar moeten wij
er naar trachten? Zie Matth. IX: 29; Fil.
H : 5; Joh. XHI : 15; 1 Petr. II : 21;
1 Joh. II : 6, III : 3. Wie kan ons «naar
Zijn beeld veranderen»? Zie 2 Cor. III: 18,
— alleen de Heilige Geest. En het is Gods
wil, dat wij aan dat beeld gelijkvormig
zouden worden, Rom. Vlll : 29.
Aanteekeningen.
1. De staatkundige veranderingen, welke
in Palestina gedurende de kindsheid en
jeugd van onzen Heer plaats grepen,
hadden een belangrijken invloed op Zijn
daaropvolgend optreden. Als toevoegsel van
de voorbeelden, die gegeven zijn van in
den Bijbel voorkomende zinspelingen op
deze veranderingen, zij hier nog opge-
3