Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
civ.
Christus'
apostel ix de keizerlijke stad.
509
herbergen, die druk bezocht worden door
de schippers op het naburige kanaal.
3. De meeste schrijvers meenen (of-
sctioon hunne meeningen niet geheel en al
dezelfde zijn), dat eene toespeling in Phil.
I : 13 de plaats aanduidt, waarheen Paulus
in Rome gevoerd werd. «Rechthuis» in
dat vers moet eigenlijk zijn « Praetorium »,
waarmede men denkt, dat het hoofdkwar-
tier van de Pretoriaansehe bende, de uit-
gelezen lijfwacht van den Keizer, wordt
bedoeld. Dit was verbonden met het kei-
zerlijke paleis op den Möns Palatinus.
Men denkt, dat de gehuurde woning,
waarin Paulus verblijf hield, binnen den
kring der militaire gebouwen lag, of
eigenlijk er toe behoorde, maar bijzondere
afzondering en gerieflijkheden aanbood;
want hij was nog steeds een gevangene,
en aan een soldaat vastgeketend (Zie vers
16). Zie verder het Aanhangsel aan het
einde der Les.
4. De «overste des legers», aan wien
Paulus door den hoofdman Julius werd
overgeleverd (vers 16), was de «Prefect
van de Pretoriaansche bende». Het ge-
bruik van het enkelvoud («overste», niet
« oversten») is zeer merkwaardig. Die post
werd in dien tijd alleen door Rurrhus be-
kleed, een beroemd krijgsman, die een
edel karakter en grooten invloed had.
Maar in het volgende jaar (62) stierf
Burrhus, waarna er ïwee prefecten waren.
Weder een voorbeeld van Lukas' nauw-
keurigheid.
5. Paulus schijnt de voornaamsten der
Joden om twee redenen bijeengeroepen te
hebben; om zijn eigen toestand te ver-
klaren, en hen uit te noodigen het Evan-
gelie te hooren. Indien zij gehoord hadden
van hetgeen in Judea tegen hem gedaan
was, waren zij misschien tegen hem inge-
nomen, vooral omdat het hun toe zou
schijnen, alsof hij, zijn eigen volk ver-
loochenende, zich op de Romeinen beroepen
had. Hij verklaart dus zorgvuldig, dat hem
niets anders openstond dan een beroep te
doen, en dat hij zijne landgenooten niet
wenschte te beschuldigen (vers 19). Het
bleek echter naderhand, dat zij niets van
het voorgevallene wisten.
Vóór het beroep was er geene reden,
waarom de Joden in Judea hunnen land-
genooten in Rome zouden schrijven aan-
gaande een man. dien zij bezig waren
voor den plaatselijken stadhouder aan te
klagen; en daarna was er nauwelijks tijd
voor, daar Paulus Rome bereikte, eerdat
er afgevaardigden of brieven in de stad
hadden kunnen komen. Het woord « broe-
ders» (vers 21) beteekent Joden, niet
Christenen.
6. In vers 24 is het woord «geloofden )v
1 niet de gewone uitdrukking voor werkelijk
; geloof. Het beteekent eerder «werden
I overtuigd ». Zelfs zij, die den diepsten
indruk hadden ontvangen van Paulus' toe-
spraak, schijnen niet verder gekomen te
zijn dan dat zij «veel twisting onder
elkander» hadden (vers 29). Vandaar de
bijzondere ernst van de afscheidswoorden
des Apostels. Hij had nu voor het laatst
nog eens getracht die vereeniging van
Joden, voor wie de meeste kans bestond,
dat zij niet door de te Jeruzalem heer-
schende vooroordeelen waren verblind, tot
de waarheid te brengen, en het was hem
mislukt. Nu was de verwerping van het
Evangelie door het uitverkoren volk tot
voltooiing gekomen. Dit is misschien de
j reden, waarom de geschiedenis der Han-
delingen nu wordt afgebroken. Zij heeft
; de uitbreiding van het Evangelie van
! Jeruzalem naar Rome beschreven. Bij elke
; schrede heeft zij aangetoond, hoe de Joden
Christus verwierpen en de Heidenen wer-
I den «ingeënt» (zie Rom. XI); en nu
' Lukas de gebeurtenis heeft verhaald, die
aan alles de kroon opzet, legt hij de pen
, neer.
I 7. De Christengemeente te Rome was den-
I kelijk gesticht door die «uitlandsche Ro-
meinen», die op den dag van het Pink-
sterfeest werden bekeerd (Hand. H : 10).
Velen dergenen, die Paulus in Rom. XVI
laat groeten, moeten Joodsche en Grieksche
Kolonisten geweest zijn, die hij in Grie-
kenland en Azië gekend had, b v. Aquila
en Priscilla (vers 3). Twee hunner waren
eigen bloedverwanten van hem (vers 7).
! Het geloof der gemeente te Rome was op
I de eene of andere wijze in verre kringen
i bekend geworden (Rom. I : 8); maar
' denkelijk was zij bij zijne aankomst nog
j niet georganiseerd. Zij was ontstaan door
de pogingen van eenige geloovigen; en
de tegenwoordigheid van een .\postel bleek
noodig te zijn, om hare stichting te vol-
tooien (Zie Rom. I : 11).
8. De lange gevangenschap van Paulus
te Rome kan veroorzaakt zijn door uitstel
van het verhoor. Er moest vanzelf mede