Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
VIII. HET VERBLIJF TE NAZARETH. 32
Gedurende dezen tijd kwamen zij in het
land. Nu geen koning, zooals Herodes,
te Jeruzalem — een Romeinsch stadhouder
te Cesaréa (een van hen was Pilatus),
die over Judéa regeerde. In Galiléa en de
verdere landen twee zonen van Herodes,
Herodes Antipas en Philippus, Luk. lil: 1;
toch onder de heerschappij van Rome —
als er schoone, nieuwe steden gebouwd
werden, noemde men ze naar de Romein-
sche Keizers (Mark. VIII : 22, 27; Joh.
VI : 23). — Romeinsche soldaten hier en
daar — de hoofdlieden somtijds op vriend-
schappelijken voet met de Joden (Luk.
VII: 5) — vele Joden werden «Tollenaars»
d. w. z. zij moesten de Romeische be-
lastingen innen, — het beeld des Keizers
op de munten enz. enz. (Zie Aant. 1).
Maar de Joden haatten de Romeinen —
«waarom zouden wij, Gods uitverkoren
volk, aan vreemdelingen onderworpen
zijn?» — Zij verachtten hunne broede-
ren, die tollenaren werden. Luk. V : 30,
XVHI : 11, XIX : 7. Toen Jezus tien jaar
oud was, in de dagen der beschrijving,
was er een groot oproer, Hand. V : 37.
Altijd verlangden zij naar bevrijding,
Hand. I : 6.
Waar was, gedurende al dien tijd, Hij,
die Koning zou zijn over allen?
n. De woonplaats, die gekozen
werd.
Nazareth — een klein, onbekend stadje,
Josephus vermeld het niet eens — zelfs
door de bewoners der naastbijgelegen
plaatsen geminacht (Joh. I : 47). Wij
zouden er nu gaarne heengaan — dezelfde
zonnige vallei zien, de groene heuvelen
daaromheen, de boomen, de beken, enz.;
de put, waar Jezus dikwijls geweest moet
zijn, de rots waarvan men naderhand
trachtte Hem af te werpen, Luk. IV : 29
(Zie Aant. 2).
Waarom werd zulk een plaats voor
Jezus' woonplaats gekozen? Lees" Matth.
H : 23. Waar was het voorspeld, dat Hij
een Nazarener genaamd zou worden? Zie
Jes. XI : 1. De Messias zou zijn een
«rijsje» — het Hebreeuwsche woord
Nazer, geen schoone tak, maar een onbe-
duidend twijgje (verg. Jes. LIIl : 2). Zoo
woonde Hij ook in eene kleine, onbeduidende
plaats, waarvan de naam ook «rijsje»
beteekende — Nazar-elh ; met dien naam
werden Hij en zijne volgelinge» genoemd,
en daarom veracht, Matth. XXVI : 71;
Joh. XIX : 19; Hand. XXiV : 5 (Zie Aant.
3). Let op Jezus* vernedering, tot in den
naam van Zijne woonplaats!
lïl. Zijn dagelijksch leven.
Het was hetzelfde als dat van andere
kinderen. Scholen waren er toen in alle
steden (Zie Aant. 5) — zonder twijfel
ging Hij naar school — leerde met ijver
de Schrift lezen — dezelfde geschiedenissen
van Jozef, Samuel, David, welke kinderen
nóg zoo gaarne hooren — Hij leerde de
teksten, die al de Joodsche kinderen van
buiten kenden. Ex. XIH : 2—16; Deut.
VI : 4—9, 13-2-2. Zeker leerde Hij ook
reeds vroeg het gebruik van al de werk-
tuigen in Jozefs werkplaats. Zoo leefde
week aan week, jaar aan jaar de Zoon van
God, als een kleine Joodsche dorpsjongen.
"Naderhand, toen Jozef gestorven was,
(Zie Aaiit, 4) werd Hij de dorpstimmerman
(Mark. VI : 3) — nu was Hij het hoofd
des huizes en de verzorger Zijner moeder
(Zie Joh. H: 12, XIX : 27) — al de plichten
van zoon, broeder, buur, vriend, burger,
rustten op Hem — misschien werd Hij
verkeerd begrepen en zagen broeders en
zusters laag op Hem neêr (evenals David,
1 Sam. XVHI: 28) — bezocht de synagoge
eiken Sabbath (Luk. IV : 16 — naar Zijne
gewoonte). En al dien tijd gebeurde er
niets buitengewoons, geen wonderen —
Jezus aan de anderen gelijk, behalve in: