Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
cm, DE REIS. — EEN VOORBEELD VAN DEN INVLOED EENS CHRISTENS. 500
neer het dagen zoo voortduurt, totdat er
twee weken zijn verloopen (vers 27), en
de storm even hevig blijft, geen wonder,
dat «alle hoop benomen was»! Zie een
beeld van zulk een tooneel, Ps. CVII :
26, 27.
(6) Vers 27—29 (vers 21—26 overslaan).
Eindelijk, na veertien dagen op deze wijze
doorgebracht te hebben, is er des midder-
nachts een geroep van «Land» — zij
kunnen het niet zien — zij hooren slechts
de branding {Zie Aant. 11). Is dit goede
tijding? Het is waar, het is een kans op
uitredding; maar indien nu het schip op
de rotsen gestooten en in het midden van
den nacht verbrijzeld wordt? Wat doen
zij dus? vers 29. Daarna blijft het schip
nog hevig slingeren, maar het wordt door
de ankers van de rotsen afgehouden, —
hoe vurig zullen zij gewenscht hebben,
ndat het dag werd» — welk een ver-
langend uitzien naar het eerste morgen-
rood I
Eindelijk gaat de zon op — het land
ligt voor hen — zij trachten het met het
schip te bereiken, maar dit raakt vast,
en nu moet de geheele bemanning zich
trachten te redden. Sommigen zwemmen
naar wal — anderen klemmen zich vast
aan planken, en na telling blijkt het, dat
alle 276 behouden aan wal zijn gekomen.
Zien wij nu terug op eenige zaken, die
wij niet vermeld hebben.
Overal, waar een groot gezelschap bijeen
is, zijn er gewoonlijk één of twee, die als
het ware de aanvoerders zijn. Zijn er
ook geene aanvoerders bij jongensspelen?
Wat maakt iemand tot een aanvoerder?
Kracht, bekwaamheid, kunde, vriende-
lijkheid, populariteit op welke wijze ook.
Zoo iemand zal plannen voorstellen en op-
werpen, beslissen wat van twee of drie
zaken gedaan moet worden, enz. — anderen
eerbiedigen en volgen hem. {Dit kan nog
verder toegelicht worden). Wat zeggen
wij van zulk een persoon, dat hij op
anderen heeft? Invloed.
Wie had nu den meesten in-
vloed aan boord van dat schip?
Natuurlijk had de kapitein veel invloed;
ook de stuurman (vers 11), zonder twijfel
een oud en bekwaam zeeman; ook de
Romeinsche hoofdman als de voornaamste
passagier; ook elk ander voornaam per-
soon. Maar wie zoude wel den minsten
invloed hebben? Zeker de gevangene in
ketenen. Indien gij eene groep geboeide
misdadigers zaagt onder de hoede van
politieagenten, wat zoudt gij dan van hen
denken? Zoudt gij verwachten, dat één
dier mannen waard was door u geacht
te worden, invloed over u kon uitoefenen?
Toch verkreeg aan boord van dat schip
één der gevangenen meer invloed dan
zelfs de kapitein of hoofdman over honderd!
Wien denkt gij?
1. Zie welk een wonderbaren invloed
Paulus verkreeg.
Zie vers 3. Hieruit blijkt, dat Julius een
vriendelijk man is, dit is zeker; maar liet
hij al de gevangenen aan wal gaan? —
klaarblijkelijk had hij Paulus reeds leeren
achten.
Zie vers 9—11. Het is waar, de waai*-
schuwing van Paulus wordt niet opge-
volgd — maar dit is niet te verwonderen,
indien de beste zeelieden het niet eens
met hem waren. Het verwonderlijke is,
dat een der gevangenen in staat was raad
te geven.
Zie vers 21—26. Te midden van dien
vreeselijken storm, toen, terwijl allen
uitgeput en moedeloos zijn (vers 20), is
er slechts ééne stem, die vertroosting
geeft — geen geharde zeeman, geen moe-
dig Romeinsch soldaat, maar weder de