Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
cm, DE REIS. — EEN VOORBEELD VAN DEN INVLOED EENS CHRISTENS. 499
de andere gevangenen (evenals zijn Mees*
ter «met de overtreders gesteld», Jes.
Llll : -12; Maik. XV : 28). Waarheen
gaat hij? Waarom? {herhaal) Gaat hij
gaarne? Zie Hand. XIX : 21; Rom. I: 10,
-11; XV : 23; hij wil liever als gevangene
gaan dan in het geheel niet. En hij heeft
eenige vertroostingen: twee vrienden gaan
met hem mede (vers 2 — «wij» en
«ons n tconen aan, dat Lukas er ook
was); een vriendelijk Romeinsch bevel-
hebber is over hen gesteld (vers 3); hij
heeft de belofte van Christus, om hem
te bemoedigen (XXHÏ : II).
(2) Vers 4—6. Zie hoe zij nu varen
{wijs de kaart, zie ylani. 3): aan de rech-
terzijde kan Paulus de welbekende bergen
van zijn geboorteland Cilicié zien; aan de
linkerzijde het eiland, wa^r hij het eerst
als zendeling gegaan is (XIII : 4). Het
vaartuig gaat niet naar Rome — het kan
hen slechts een gedeelte van den weg
brengen {zie Aant. 2); maar te Myra vinden
zij een groot schip, dat koren uit Egypte
naar Italië voert {zie Aant. 4) — daarin
zullen zij plaats nemen.
(3) Vers 7—13. De wind is tegen — het
schip kan niet voortgaan; eindelijk moet
het, in plaats van westwaarts te zeilen,
met de hoop spoedig de lading in Italië aan
land te brengen, voor anker gaan liggen
in een haven, die ver uit den koers is,
en op verandering van wind wachten,
vers 8 {Zie Aant, 5). Maar ondertusschen
vi'rloopt de tijd — de zomer is juist
voorbij — zulk eene lange reis kunnen
zij niet in de wintermaanden aanvaarden
{zie Aant. 6) — wat nu te doen? Welken
raad geeft Paulus? vers 9, 10. Maar, in-
dien het onmogelijk is Italië nu te berei-
ken, wenschen de schepelingen toch eene
betere plaats, waar zij den winter kunnen
doorbrengen, vers 12; een weinig verder is
een uitstekende plaats — zij zullen trachten
daar te komen {Zie Aant. 7). Spoedig
komt er jui-st wat zij noodig hebben: een
zachte zuidenwind — zij gaan nu vroolijk
voort. — « Wie geeft er om hetgeen die
Joodsche gevangene zegt? Wat kan hij er
van weten ? »
(4) Vers 14—19. Plotseling steekt er
een hevige storm op in het noordoosten,
en valt van de bergen recht op hen neer
{Zie Aant. 8), Hiertegen kunnen zij niet
opzeilen — het schip wordt geheel terug-
gesluwd. De matrozen hebben hardwerk
met zich tegen den storm te weren. Zie wat
er gedaan wordt: eerr^t nemen zij de boot
in, die achter aan het schip sleept — en
dit is niet gemakkelijk, vers 16; dan worden
er groote touwen onder het schip door-
gehaald, om te verhinderen, dat het in
stukken slaat, vers 17; dan wordt al het
tuig, dat niet noodig is, naar beneden
gehaald, vers 17; den volgenden dag
werpen zij allen ballast over boord, opdat
het schip minder gevaar loope te zinken,
vers 18; den daaropvol^enden dag moeten
ook de nuttige dingen in zee geworpen
worden, en zelfs de gevangenen worden
aan het werk gezet, vers 19 {<iwijr>) —
zonder twijfel is Paulus nu van zijne
ketenen bevrijd {Zie Aant. 9).
(5) Vers 20. Stel u hun toestand voor.
Een groot schip, met 276 menschen aan
boord (vers 37), geheel hulpeloos — ht-en
en weer gestuwd door de golven — de
wind huilt, de zee spat er over heen —
iedereen is koud en nat — eten klaar te
maken is onmogelijk, en niemand heeft
lust iets te nuttigen (vers 21, 33) — de
lucht is zoo zwart, dat er des daags geene
zon, des nachts geene sterren te zien zijn,
en de schepelingen kunnen niet ontdekken
waar zij zijn, of waarheen zij drijven. Dit
is zeker erg genoeg voor één dag — elke
minuut gelijkt een uur in die ellende en
angst — elk uur, o hoe lang! Maar wan-